Els Schelfhout - Pol Van Den Driessche
Wetsvoorstel tot verbetering van de situatie van de begunstigden van een alimentatievordering
(16-06-2009)
Ingediend door mevrouw Els Schelfhout en de heer Pol Van Den Driessche, c.s.
TOELICHTING
Juridische achtergrond
Overeenkomstig artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek moeten de ouders naar evenredigheid van hun middelen zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. Deze verplichting loopt in principe tot de meerderjarigheid van het kind. Indien echter de opleiding niet voltooid is op dat moment, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind. Ook artikel 27 van het Kinderrechtenverdrag van 20 november 1989 erkent de primaire verantwoordelijkheid van de ouders om te zorgen voor de levensomstandigheden die een kind in staat moet stellen om zich te ontwikkelen, zowel op lichamelijk, geestelijk, intellectueel, zedelijk als maatschappelijk gebied. Zij moeten dat doen naar hun vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden. De Overheid (de Staat die partij is bij het verdrag) neemt alle passende maatregelen om het verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders.
Een echtgeno(o)t(e) kan ook recht hebben op een onderhoudsuitkering van zijn/haar ex-partner. Indien er hierover niets overeengekomen wordt tussen beide partners beslist de rechter over de toekenning van een onderhoudsuitkering. De rechter bepaalt de hoogte van deze uitkering rekening houdende met de staat van behoeftigheid van de onderhoudsgerechtigde echtgeno(o)t(e). De uitkering is beperkt tot maximaal een derde van het inkomen van de onderhoudsplichtige. De duur van de onderhoudsuitkering is beperkt tot de duur van het huwelijk.
Het niet nakomen van de onderhoudsverplichting door de onderhoudsplichtige wordt gekwalificeerd als een strafrechtelijk misdrijf. De onderhoudsplichtige die nalaat om gedurende twee maanden een onderhoudsuitkering te betalen, ten voordele van zijn echtgeno(o)t(e) of bloedverwant in neergaande of opgaande lijn, en waartoe hij is veroordeeld door een vonnis waartegen geen hoger beroep of verzet meer mogelijk is, kan worden veroordeeld voor het misdrijf « verlating van familie ».
DAVO
De DAVO (De Dienst Alimentatievorderingen) werd, bij wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor Alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, opgericht met de bedoeling om een antwoord te kunnen bieden voor wat betreft de problematiek van de onbetaalde alimentatievorderingen en de uitvoering van gerechtelijke uitspraken.
Op een schriftelijke vraag maakte de vice-eersteminister van Financiën en Institutionele Hervormingen volgende cijfergegevens over met betrekking tot de aanvragen bij de DAVO:
Jaar (1) 2005 2006 2007 2008
Aantal dossiers (2) 6.351 5.434 6.060 6.425
Aantal kinderen (3) 12.199 10.977 10.680 11.348
Totaal uitbetaald bedrag (4) 3.481.066,32 14.216.277,57 14.923.170,75 16.255.966,79
Toegekend budget (5) 5.000.000,00 15.000.000,00 16.225.000,00 16.225.000,000
(1) Jaar. De dienst voor de alimentatievordering startte op 1 juni 2004 met het invorderen van onderhoudsgeld op vraag van de onderhoudsgerechtigde. De uitbetaling van voorschotten begon vanaf oktober 2005. Voor het jaar 2004 kunnen dus geen cijfers gegeven worden; deze van 2005 hebben slechts betrekking op drie maanden.
(2) Aantal dossiers. Het betreft enkel de dossiers waarin voorschotten worden uitbetaald. De DAVO beheert de dossiers per aanvraag. Een aanvraag (of een dossier) kan betrekking hebben op verschillende personen die niet noodzakelijk allen voorschotten ontvangen.
(3) Aantal kinderen. Dit is het aantal kinderen waarvoor voorschotten worden uitbetaald.
(4) Totaal uitbetaald bedrag. Dit is het totaal bedrag aan voorschotten dat in het aangeduide jaar werd uitbetaald.
(5) Toegekend budget. Dit is het bedrag van het variabel krediet dat werd voorzien in de Algemene uitgavenbegroting van het aangeduide jaar.
In 2007 hadden 7.892 dossiers (in 2006: 6.296 dossiers) betrekking op de uitbetaling van voorschotten. In 6.060 dossiers (in 2006: 5.34 dossiers) was er effectief een betaling van voorschotten. Het verschil van 1.832 dossiers (in 2006: 862 dossiers) betrof dossiers waarin op de vraag naar voorschotten niet kon worden ingegaan (overschrijding van het inkomensplafond, het kind heeft de opleiding beëindigd, dossier is in onderzoek, …) of waarin de uitbetaling van voorschotten werd stopgezet (wijziging in de bestaansmiddelen, verzaking door de aanvrager, einde van de opleiding van het kind, …).
In 94% van de gevallen zijn het vrouwen die een aanvraag indienen tot het bekomen van hulp bij de inning en invordering van het onderhoudsgeld voor henzelf en/of voor de kinderen of voor het bekomen van hulp in de vorm van betaling van voorschotten voor hun kinderen.
De DAVO kent voorschotten op het onderhoudsgeld toe aan de onderhoudsgerechtigde, voor wat betreft het onderhoudsgeld dat verschuldigd is aan de kinderen, indien de onderhoudsplichtige zich gedurende twee, al dan niet opeenvolgende termijnen in de loop van de twaalf maanden die aan de aanvraag voorafgaan, geheel of ten dele onttrokken heeft aan de verplichting tot betaling van het onderhoudsgeld. Het bedrag van de voorschotten is gelijk aan het bedrag van het geïndexeerde onderhoudsgeld met een maximum van € 175 per maand en per onderhoudsgerechtigde.
De onderhoudsplicht moet zijn vastgesteld in een uitvoerbare gerechtelijke beslissing of een authentieke akte.
De DAVO verleent haar tegemoetkoming indien de onderhoudsgerechtigde zijn woonplaats in België heeft.
Daarnaast wordt bepaald dat de onderhoudsgerechtigde slechts recht kan hebben op een voorschot indien zijn maandelijkse nettobestaansmiddelen het bedrag vermeld in artikel 1049, § 1, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, inzake de grenzen voor het loonbeslag, niet overschrijdt.
Nochtans, in de toelichting bij het destijds ingediende wetsvoorstel wordt de noodzaak van de oprichting van de DAVO omschreven als volgt:
« Het is in ieder opzicht van belang dat die verplichtingen worden nageleefd: het is van levensbelang voor de eiser, omdat hij de alimentatie uiteraard nodig heeft aangezien hij ervan moet leven; het is een dwingende noodzaak voor de politieke orde, die enerzijds niet kan dulden dat de instellingen waarop zij berust, ongestraft worden uitgehold en er anderzijds voor moet waken dat het verzuim van de familie niet tot gevolg heeft dat de behoeftigen ten laste komen van de gemeenschap.
Die motieven gelden nog steeds. De oprichting van een Fonds voor alimentatievorderingen beantwoordt aan een nood aan gerechtigheid en is een belangrijk instrument in de strijd tegen de alimentatie-onzekerheid en de armoede voor de eenoudergezinnen of de instantgezinnen. »
Het is daarom wat eigenaardig dat met het artikel 329 van de Programmawet van 22 december 2003 er een artikel 4, § 1 werd ingeschreven in voornoemde wet dat een inkomensplafond stelt aan het al dan niet kunnen genieten van de voorschotregeling van de DAVO. Het plafond van de nettobestaansmiddelen wordt gekoppeld aan het artikel 1409, § 1, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek dat de grenzen voor de beslagbaarheid van het loon bepaalt. Dit plafond wordt aldus op €1.224 gesteld, verhoogd met € 58 per kind ten laste.
Met een dergelijk laag inkomensplafond vallen immers heel wat beroepsactieve alleenstaande ouders uit de boot om te kunnen genieten van de voorschotregeling van de DAVO. Door deze bepaling zijn de beroepsactieve onderhoudsgerechtigden wederom slechter af dan de onderhoudsgerechtigden die een uitkering genieten. Vooral de beroepsactieve alleenstaanden zijn hiervan het slachtoffer. Bovendien blijkt uit armoedeonderzoek dat maar liefst 36% van de alleenstaande ouders onder de armoedegrens leeft. Als we weten dat de belastingdruk voor beroepsactieve alleenstaanden in België bij de absolute wereldtop behoort, waarom zou een alleenstaande gescheiden man of vrouw dan überhaupt nog de moeite doen om werk te zoeken? Door toedoen van allerhande voordelen waarvan uitkeringsgerechtigden genieten is deze alleenstaande werkloze, die bovendien zelf kan instaan voor de opvang van zijn/haar kinderen, meestal beter af dan dan de werkende alleenstaande die buitenschoolse opvang moet zoeken. Uit een studie van het Steunpunt Gelijkekansenbeleid blijkt dat de werkloosheidsval voor alleenstaande ouders met een lage verdiencapaciteit bijzonder hoog is. Vooral laaggeschoolde vrouwen met jonge kinderen, met geen of slechts een beperkte werkervaring die lange tijd alleenstaand blijven vormen een risicogroep om in de armoede terecht te komen. Dergelijke situatie hypothekeert ook de ontwikkelingskansen voor de kinderen om door te stromen naar het hoger onderwijs. Kinderen van alleenstaande ouders, voornamelijk alleenstaande moeders, participeren namelijk veel minder in het hoger onderwijs dan kinderen van tweeoudergezinnen.
Om voorgaande redenen wenst indiener het plafond van de nettobestaansmiddelen om recht te kunnen hebben op een voorschot van de DAVO af te schaffen.
In artikel 5 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor Alimentatievorderingen bij de FOD Financiën wordt voorzien dat de tegemoetkoming van de DAVO aanleiding geeft tot de betaling van een bijdrage in de werkingskosten van deze dienst. Dat is logisch, men kan immers niet verwachten dat de overheid de volledige kostprijs draagt voor invorderingsprocedures die kaderen in de privaatrechtelijke sfeer. Wat echter minder logisch is, is het feit dat de onderhoudsplichtige 10% kosten betaalt op het bedrag van de te innen of in te vorderen hoofdsommen en de onderhoudsgerechtigde nogmaals 5% op het bedrag van de geïnde of ingevorderde sommen.
Waarom moet de onderhoudsgerechtigde kosten betalen voor de invordering van onderhoudsgelden die dienen om te voorzien in zijn/haar behoeften om te leven? De onderhoudsgerechtigde werd immers voorafgaandelijk een onderhoudsuitkering toegekend door de rechtbank omdat werd geoordeeld dat hij/zij zich in een staat van behoeftigheid bevindt.
De democratische rechtstaat is het aan zichzelf verplicht, met het oog op een voldoende geloofwaardigheid van ons gerechtelijk apparaat, om te zorgen dat rechterlijke beslissingen ook effectief worden uitgevoerd. Er anders toe besluiten leidt er immers toe dat er een gevoel van wetteloosheid ontstaat of nog versterkt wordt binnen onze maatschappij.
Om voorgaande redenen legt indiener dan ook de werkingskosten volledig ten laste van de onderhoudsplichtige zelf die zij onderhoudsverplichtingen niet naleeft.
Het is immers door het nalaten van de onderhoudsplichtige dat de onderhoudsrechtige zich moet wenden tot de DAVO, en waardoor er werkingskosten ontstaan. In dit kader moet ook verwezen worden naar de gelijkaardige redenering die schuil gaat achter de mogelijkheid om in een burgerlijke procedure de kosten van de rechtspleging en de advocaatkosten terug te vorderen van de verliezende partij.
Bovendien kan de aanrekening van deze kosten naast de strafrechtelijke sanctie die mogelijk is een ontradend effect teweeg brengen bij de nalatige onderhoudsplichtige.
Regeerakkoord
Ook de federale regering ziet in dat de huidige regeling niet bevredigend is en nam zich daarom voor om de wettelijke regeling van DAVO aan te passen. In de regeerverklaring kan men hieromtrent de volgende alinea aantreffen:
« Om tegemoet te komen aan eenoudergezinnen die te maken krijgen met het in gebreke blijven van de onderhoudsplichtige, wil de regering de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO) promoten. Ze zal de huidige voorwaarden en het bedrag van zijn tegemoetkomingen optrekken. Ze zal het terugvorderen van de voorschotten verzekeren. »
Parlementair intiatief inzake objectieve berekening onderhoudsbijdragen
In de Kamer werd recent (11 juni 2009) een wetsontwerp ter bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen aangenomen na amendering in commissie. Na amendering werd in de definitieve tekst een bepaling (art. 4 nieuw) opgenomen waardoor een artikel 203ter wordt ingevoegd:
« Art. 203ter. Indien de schuldenaar een van de verplichtingen opgelegd bij de artikelen 203, 203bis, 205, 207, 336 of 353-14, van dit Wetboek of de krachtens artikel 1288, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek of de krachtens een notariële of gehomologeerde overeenkomst tussen partijen aangegane verbintenis niet nakomt, kan de schuldeiser, onverminderd het recht van derden, zich voor de vaststelling van het bedrag van de uitkering en voor de tenuitvoerlegging van het vonnis doen machtigen om, met uitsluiting van voornoemde schuldenaar, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door het vonnis gesteld, de inkomsten van deze laatste of iedere andere hem door een derde verschuldigde geldsom te ontvangen.
In alle geval staat de rechter de machtiging toe indien de onderhoudsplichtige zich gedurende twee, al dan niet opeenvolgende, termijnen in de loop van twaalf
maanden die aan het indienen van het verzoekschrift voorafgaan, geheel of ten dele onttrokken heeft aan zijn verplichting tot betaling van levensonderhoud. »
Dit artikel bepaalt dat de rechter een machtiging tot loondelegatie toe indien de onderhoudsplichtige gedurende twee maanden in de loop van twaalf maanden nalaten heeft om het onderhoudsgeld te betalen. Bij loondelegatie worden het verschuldigde onderhoudsgeld rechtstreeks door de schuldenaar van de onderhoudsplichtige (meestal betreft het de werkgever van de onderhoudsplichtige) aan de onderhoudsgerechtigde betaald.
Deze nieuwe wettelijke regeling maakt huidig wetsvoorstel niet overbodig. Integendeel, huidig wetsvoorstel werkt aanvullend op de nieuwe wettelijke regeling.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 1
Conform artikel 83 van de Grondwet moet elk wetsvoorstel aangeven of het een aangelegenheid betreft als bedoeld in artikel 74, 77 of 78 G.W.
Art. 2
Het artikel schaft de voorwaarde met betrekking tot de inkomensgrenzen voor het uitkeren van een voorschot van de onderhoudsgelden verschuldigd aan kinderen af. Dergelijk inkomensplafond is immers onrealistisch laag en leidt er toe dat alleenstaanden die beroepsactief zijn meestal geen beroep kunnen doen op de DAVO. Hiermee wenst indiener de wil van de indieners van het oorspronkelijke wetsvoorstel om geen inkomensplafond te hanteren in ere herstellen.
Art. 3
Dit artikel schaft de werkingskosten ten aanzien van de onderhoudsgerechtigde af en legt deze werkingskosten ten laste van de onderhoudsplichtige. Het is immers niet gerechtvaardigd dat de onderhoudsgerechtigde kosten moet betalen omdat een onderhoudsplichtige zich onttrekt aan zijn onderhoudsverplichting.
Art. 4
Aangezien artikel 2 het inkomensplafond voor het bekomen van een voorschot van de DAVO afschaft, is er ook geen onderzoek naar de bestaansmiddelen van de onderhoudsgerechtigden meer nodig.
Art. 5
Het artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van de wet en voorziet in een voldoende lange overgangsperiode opdat de DAVO de nodige aanpassingen kan verrichten om zich te schikken naar de nieuwe wettelijke regeling. Het weze duidelijk dat de nieuwe wettelijke regeling enkel van toepassing is op de procedures gestart bij de DAVO vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Els Schelfhout
Pol Van Den Driessche
WETSVOORSTEL
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 4 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën wordt opgeheven.
Art. 3
Artikel 5, tweede lid van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën wordt vervangen als volgt:
« Het bedrag van die bijdrage wordt bepaald als volgt:
ten laste van de onderhoudsplichtige: 15% van het bedrag van de te innen of in te vorderen hoofsommen;
Art. 4
Artikel 7, § 2 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën wordt opgeheven.
Art. 5
Deze wet treedt in werking op de datum die door de Koning wordt bepaald en uiterlijk op de eerste dag van de derde maand volgend op de datum van bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad.
ELS SCHELFHOUT
POL VAN DEN DRIESSCHE
Terug naar het overzicht
Wetsvoorstel tot verbetering van de situatie van de begunstigden van een alimentatievordering
(16-06-2009)
Ingediend door mevrouw Els Schelfhout en de heer Pol Van Den Driessche, c.s.
TOELICHTING
Juridische achtergrond
Overeenkomstig artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek moeten de ouders naar evenredigheid van hun middelen zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. Deze verplichting loopt in principe tot de meerderjarigheid van het kind. Indien echter de opleiding niet voltooid is op dat moment, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind. Ook artikel 27 van het Kinderrechtenverdrag van 20 november 1989 erkent de primaire verantwoordelijkheid van de ouders om te zorgen voor de levensomstandigheden die een kind in staat moet stellen om zich te ontwikkelen, zowel op lichamelijk, geestelijk, intellectueel, zedelijk als maatschappelijk gebied. Zij moeten dat doen naar hun vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden. De Overheid (de Staat die partij is bij het verdrag) neemt alle passende maatregelen om het verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders.
Een echtgeno(o)t(e) kan ook recht hebben op een onderhoudsuitkering van zijn/haar ex-partner. Indien er hierover niets overeengekomen wordt tussen beide partners beslist de rechter over de toekenning van een onderhoudsuitkering. De rechter bepaalt de hoogte van deze uitkering rekening houdende met de staat van behoeftigheid van de onderhoudsgerechtigde echtgeno(o)t(e). De uitkering is beperkt tot maximaal een derde van het inkomen van de onderhoudsplichtige. De duur van de onderhoudsuitkering is beperkt tot de duur van het huwelijk.
Het niet nakomen van de onderhoudsverplichting door de onderhoudsplichtige wordt gekwalificeerd als een strafrechtelijk misdrijf. De onderhoudsplichtige die nalaat om gedurende twee maanden een onderhoudsuitkering te betalen, ten voordele van zijn echtgeno(o)t(e) of bloedverwant in neergaande of opgaande lijn, en waartoe hij is veroordeeld door een vonnis waartegen geen hoger beroep of verzet meer mogelijk is, kan worden veroordeeld voor het misdrijf « verlating van familie ».
DAVO
De DAVO (De Dienst Alimentatievorderingen) werd, bij wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor Alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, opgericht met de bedoeling om een antwoord te kunnen bieden voor wat betreft de problematiek van de onbetaalde alimentatievorderingen en de uitvoering van gerechtelijke uitspraken.
Op een schriftelijke vraag maakte de vice-eersteminister van Financiën en Institutionele Hervormingen volgende cijfergegevens over met betrekking tot de aanvragen bij de DAVO:
Jaar (1) 2005 2006 2007 2008
Aantal dossiers (2) 6.351 5.434 6.060 6.425
Aantal kinderen (3) 12.199 10.977 10.680 11.348
Totaal uitbetaald bedrag (4) 3.481.066,32 14.216.277,57 14.923.170,75 16.255.966,79
Toegekend budget (5) 5.000.000,00 15.000.000,00 16.225.000,00 16.225.000,000
(1) Jaar. De dienst voor de alimentatievordering startte op 1 juni 2004 met het invorderen van onderhoudsgeld op vraag van de onderhoudsgerechtigde. De uitbetaling van voorschotten begon vanaf oktober 2005. Voor het jaar 2004 kunnen dus geen cijfers gegeven worden; deze van 2005 hebben slechts betrekking op drie maanden.
(2) Aantal dossiers. Het betreft enkel de dossiers waarin voorschotten worden uitbetaald. De DAVO beheert de dossiers per aanvraag. Een aanvraag (of een dossier) kan betrekking hebben op verschillende personen die niet noodzakelijk allen voorschotten ontvangen.
(3) Aantal kinderen. Dit is het aantal kinderen waarvoor voorschotten worden uitbetaald.
(4) Totaal uitbetaald bedrag. Dit is het totaal bedrag aan voorschotten dat in het aangeduide jaar werd uitbetaald.
(5) Toegekend budget. Dit is het bedrag van het variabel krediet dat werd voorzien in de Algemene uitgavenbegroting van het aangeduide jaar.
In 2007 hadden 7.892 dossiers (in 2006: 6.296 dossiers) betrekking op de uitbetaling van voorschotten. In 6.060 dossiers (in 2006: 5.34 dossiers) was er effectief een betaling van voorschotten. Het verschil van 1.832 dossiers (in 2006: 862 dossiers) betrof dossiers waarin op de vraag naar voorschotten niet kon worden ingegaan (overschrijding van het inkomensplafond, het kind heeft de opleiding beëindigd, dossier is in onderzoek, …) of waarin de uitbetaling van voorschotten werd stopgezet (wijziging in de bestaansmiddelen, verzaking door de aanvrager, einde van de opleiding van het kind, …).
In 94% van de gevallen zijn het vrouwen die een aanvraag indienen tot het bekomen van hulp bij de inning en invordering van het onderhoudsgeld voor henzelf en/of voor de kinderen of voor het bekomen van hulp in de vorm van betaling van voorschotten voor hun kinderen.
De DAVO kent voorschotten op het onderhoudsgeld toe aan de onderhoudsgerechtigde, voor wat betreft het onderhoudsgeld dat verschuldigd is aan de kinderen, indien de onderhoudsplichtige zich gedurende twee, al dan niet opeenvolgende termijnen in de loop van de twaalf maanden die aan de aanvraag voorafgaan, geheel of ten dele onttrokken heeft aan de verplichting tot betaling van het onderhoudsgeld. Het bedrag van de voorschotten is gelijk aan het bedrag van het geïndexeerde onderhoudsgeld met een maximum van € 175 per maand en per onderhoudsgerechtigde.
De onderhoudsplicht moet zijn vastgesteld in een uitvoerbare gerechtelijke beslissing of een authentieke akte.
De DAVO verleent haar tegemoetkoming indien de onderhoudsgerechtigde zijn woonplaats in België heeft.
Daarnaast wordt bepaald dat de onderhoudsgerechtigde slechts recht kan hebben op een voorschot indien zijn maandelijkse nettobestaansmiddelen het bedrag vermeld in artikel 1049, § 1, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, inzake de grenzen voor het loonbeslag, niet overschrijdt.
Nochtans, in de toelichting bij het destijds ingediende wetsvoorstel wordt de noodzaak van de oprichting van de DAVO omschreven als volgt:
« Het is in ieder opzicht van belang dat die verplichtingen worden nageleefd: het is van levensbelang voor de eiser, omdat hij de alimentatie uiteraard nodig heeft aangezien hij ervan moet leven; het is een dwingende noodzaak voor de politieke orde, die enerzijds niet kan dulden dat de instellingen waarop zij berust, ongestraft worden uitgehold en er anderzijds voor moet waken dat het verzuim van de familie niet tot gevolg heeft dat de behoeftigen ten laste komen van de gemeenschap.
Die motieven gelden nog steeds. De oprichting van een Fonds voor alimentatievorderingen beantwoordt aan een nood aan gerechtigheid en is een belangrijk instrument in de strijd tegen de alimentatie-onzekerheid en de armoede voor de eenoudergezinnen of de instantgezinnen. »
Het is daarom wat eigenaardig dat met het artikel 329 van de Programmawet van 22 december 2003 er een artikel 4, § 1 werd ingeschreven in voornoemde wet dat een inkomensplafond stelt aan het al dan niet kunnen genieten van de voorschotregeling van de DAVO. Het plafond van de nettobestaansmiddelen wordt gekoppeld aan het artikel 1409, § 1, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek dat de grenzen voor de beslagbaarheid van het loon bepaalt. Dit plafond wordt aldus op €1.224 gesteld, verhoogd met € 58 per kind ten laste.
Met een dergelijk laag inkomensplafond vallen immers heel wat beroepsactieve alleenstaande ouders uit de boot om te kunnen genieten van de voorschotregeling van de DAVO. Door deze bepaling zijn de beroepsactieve onderhoudsgerechtigden wederom slechter af dan de onderhoudsgerechtigden die een uitkering genieten. Vooral de beroepsactieve alleenstaanden zijn hiervan het slachtoffer. Bovendien blijkt uit armoedeonderzoek dat maar liefst 36% van de alleenstaande ouders onder de armoedegrens leeft. Als we weten dat de belastingdruk voor beroepsactieve alleenstaanden in België bij de absolute wereldtop behoort, waarom zou een alleenstaande gescheiden man of vrouw dan überhaupt nog de moeite doen om werk te zoeken? Door toedoen van allerhande voordelen waarvan uitkeringsgerechtigden genieten is deze alleenstaande werkloze, die bovendien zelf kan instaan voor de opvang van zijn/haar kinderen, meestal beter af dan dan de werkende alleenstaande die buitenschoolse opvang moet zoeken. Uit een studie van het Steunpunt Gelijkekansenbeleid blijkt dat de werkloosheidsval voor alleenstaande ouders met een lage verdiencapaciteit bijzonder hoog is. Vooral laaggeschoolde vrouwen met jonge kinderen, met geen of slechts een beperkte werkervaring die lange tijd alleenstaand blijven vormen een risicogroep om in de armoede terecht te komen. Dergelijke situatie hypothekeert ook de ontwikkelingskansen voor de kinderen om door te stromen naar het hoger onderwijs. Kinderen van alleenstaande ouders, voornamelijk alleenstaande moeders, participeren namelijk veel minder in het hoger onderwijs dan kinderen van tweeoudergezinnen.
Om voorgaande redenen wenst indiener het plafond van de nettobestaansmiddelen om recht te kunnen hebben op een voorschot van de DAVO af te schaffen.
In artikel 5 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor Alimentatievorderingen bij de FOD Financiën wordt voorzien dat de tegemoetkoming van de DAVO aanleiding geeft tot de betaling van een bijdrage in de werkingskosten van deze dienst. Dat is logisch, men kan immers niet verwachten dat de overheid de volledige kostprijs draagt voor invorderingsprocedures die kaderen in de privaatrechtelijke sfeer. Wat echter minder logisch is, is het feit dat de onderhoudsplichtige 10% kosten betaalt op het bedrag van de te innen of in te vorderen hoofdsommen en de onderhoudsgerechtigde nogmaals 5% op het bedrag van de geïnde of ingevorderde sommen.
Waarom moet de onderhoudsgerechtigde kosten betalen voor de invordering van onderhoudsgelden die dienen om te voorzien in zijn/haar behoeften om te leven? De onderhoudsgerechtigde werd immers voorafgaandelijk een onderhoudsuitkering toegekend door de rechtbank omdat werd geoordeeld dat hij/zij zich in een staat van behoeftigheid bevindt.
De democratische rechtstaat is het aan zichzelf verplicht, met het oog op een voldoende geloofwaardigheid van ons gerechtelijk apparaat, om te zorgen dat rechterlijke beslissingen ook effectief worden uitgevoerd. Er anders toe besluiten leidt er immers toe dat er een gevoel van wetteloosheid ontstaat of nog versterkt wordt binnen onze maatschappij.
Om voorgaande redenen legt indiener dan ook de werkingskosten volledig ten laste van de onderhoudsplichtige zelf die zij onderhoudsverplichtingen niet naleeft.
Het is immers door het nalaten van de onderhoudsplichtige dat de onderhoudsrechtige zich moet wenden tot de DAVO, en waardoor er werkingskosten ontstaan. In dit kader moet ook verwezen worden naar de gelijkaardige redenering die schuil gaat achter de mogelijkheid om in een burgerlijke procedure de kosten van de rechtspleging en de advocaatkosten terug te vorderen van de verliezende partij.
Bovendien kan de aanrekening van deze kosten naast de strafrechtelijke sanctie die mogelijk is een ontradend effect teweeg brengen bij de nalatige onderhoudsplichtige.
Regeerakkoord
Ook de federale regering ziet in dat de huidige regeling niet bevredigend is en nam zich daarom voor om de wettelijke regeling van DAVO aan te passen. In de regeerverklaring kan men hieromtrent de volgende alinea aantreffen:
« Om tegemoet te komen aan eenoudergezinnen die te maken krijgen met het in gebreke blijven van de onderhoudsplichtige, wil de regering de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO) promoten. Ze zal de huidige voorwaarden en het bedrag van zijn tegemoetkomingen optrekken. Ze zal het terugvorderen van de voorschotten verzekeren. »
Parlementair intiatief inzake objectieve berekening onderhoudsbijdragen
In de Kamer werd recent (11 juni 2009) een wetsontwerp ter bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen aangenomen na amendering in commissie. Na amendering werd in de definitieve tekst een bepaling (art. 4 nieuw) opgenomen waardoor een artikel 203ter wordt ingevoegd:
« Art. 203ter. Indien de schuldenaar een van de verplichtingen opgelegd bij de artikelen 203, 203bis, 205, 207, 336 of 353-14, van dit Wetboek of de krachtens artikel 1288, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek of de krachtens een notariële of gehomologeerde overeenkomst tussen partijen aangegane verbintenis niet nakomt, kan de schuldeiser, onverminderd het recht van derden, zich voor de vaststelling van het bedrag van de uitkering en voor de tenuitvoerlegging van het vonnis doen machtigen om, met uitsluiting van voornoemde schuldenaar, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door het vonnis gesteld, de inkomsten van deze laatste of iedere andere hem door een derde verschuldigde geldsom te ontvangen.
In alle geval staat de rechter de machtiging toe indien de onderhoudsplichtige zich gedurende twee, al dan niet opeenvolgende, termijnen in de loop van twaalf
maanden die aan het indienen van het verzoekschrift voorafgaan, geheel of ten dele onttrokken heeft aan zijn verplichting tot betaling van levensonderhoud. »
Dit artikel bepaalt dat de rechter een machtiging tot loondelegatie toe indien de onderhoudsplichtige gedurende twee maanden in de loop van twaalf maanden nalaten heeft om het onderhoudsgeld te betalen. Bij loondelegatie worden het verschuldigde onderhoudsgeld rechtstreeks door de schuldenaar van de onderhoudsplichtige (meestal betreft het de werkgever van de onderhoudsplichtige) aan de onderhoudsgerechtigde betaald.
Deze nieuwe wettelijke regeling maakt huidig wetsvoorstel niet overbodig. Integendeel, huidig wetsvoorstel werkt aanvullend op de nieuwe wettelijke regeling.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 1
Conform artikel 83 van de Grondwet moet elk wetsvoorstel aangeven of het een aangelegenheid betreft als bedoeld in artikel 74, 77 of 78 G.W.
Art. 2
Het artikel schaft de voorwaarde met betrekking tot de inkomensgrenzen voor het uitkeren van een voorschot van de onderhoudsgelden verschuldigd aan kinderen af. Dergelijk inkomensplafond is immers onrealistisch laag en leidt er toe dat alleenstaanden die beroepsactief zijn meestal geen beroep kunnen doen op de DAVO. Hiermee wenst indiener de wil van de indieners van het oorspronkelijke wetsvoorstel om geen inkomensplafond te hanteren in ere herstellen.
Art. 3
Dit artikel schaft de werkingskosten ten aanzien van de onderhoudsgerechtigde af en legt deze werkingskosten ten laste van de onderhoudsplichtige. Het is immers niet gerechtvaardigd dat de onderhoudsgerechtigde kosten moet betalen omdat een onderhoudsplichtige zich onttrekt aan zijn onderhoudsverplichting.
Art. 4
Aangezien artikel 2 het inkomensplafond voor het bekomen van een voorschot van de DAVO afschaft, is er ook geen onderzoek naar de bestaansmiddelen van de onderhoudsgerechtigden meer nodig.
Art. 5
Het artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van de wet en voorziet in een voldoende lange overgangsperiode opdat de DAVO de nodige aanpassingen kan verrichten om zich te schikken naar de nieuwe wettelijke regeling. Het weze duidelijk dat de nieuwe wettelijke regeling enkel van toepassing is op de procedures gestart bij de DAVO vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Els Schelfhout
Pol Van Den Driessche
WETSVOORSTEL
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 4 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën wordt opgeheven.
Art. 3
Artikel 5, tweede lid van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën wordt vervangen als volgt:
« Het bedrag van die bijdrage wordt bepaald als volgt:
ten laste van de onderhoudsplichtige: 15% van het bedrag van de te innen of in te vorderen hoofsommen;
Art. 4
Artikel 7, § 2 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën wordt opgeheven.
Art. 5
Deze wet treedt in werking op de datum die door de Koning wordt bepaald en uiterlijk op de eerste dag van de derde maand volgend op de datum van bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad.
ELS SCHELFHOUT
POL VAN DEN DRIESSCHE
Terug naar het overzicht

