Wouter Beke
Dirk Claes
Sabine De Bethune
Jan Durnez
Cindy Franssen
Nahima Lanjri
Els Schelfhout
Elke Tindemans
Hugo Vandenberghe
Pol Van Den Driessche
Els Van Hoof
Tony Van Parys
Wetsvoorstel
Hugo Vandenberghe - Tony Van Parys - Pol Van Den Driessche

Wetsvoorstel ter vervanging van boek IV van het tweede deel van het Gerechtelijk Wetboek inzake het statuut van de gerechtsofficieren en tot aanvulling van artikel 279/1 van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten (4-826)
(25-06-2008)

Ingediend door de heer Hugo Vandenberghe c.s.
 


Samenvatting: "Dit wetsvoorstel wil het statuut van de gerechtsdeurwaarders aanpassen aan de voortschrijdende communautarisering van België én aan het gewijzigd maatschappelijk discours waarin het beroep moet evolueren. Tegelijk wil het de benoemingsprocedure objectiveren, de continuïteit van een kantoor waarborgen en de tuchtrechtelijke procedure aanpassen. Tenslotte wil het de opwaardering van het beroep door een naamswijzing van het achterhaalde « gerechtsdeurwaarder » in « gerechtsofficier »."

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 16 maart 2005 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 3-1094/1 - 2004/2005).

Dit wetsvoorstel beoogt het statuut van de gerechtsdeurwaarders, waarvan de jongste wijziging dateert uit 1992, aan te passen aan de onmiskenbare voortschrijdende communautarisering van België én aan het gewijzigd maatschappelijk discours waarin het beroep moet evolueren. Terzelfder tijd strekt het ertoe de benoemingsprocedure te objectiveren, de continuïteit van een kantoor te waarborgen en de tuchtrechtelijke procedure aan te passen. Een laatste doelstelling is de opwaardering van het beroep door een naamswijziging van het achterhaalde — nog uit de middeleeuwen stammende — « gerechtsdeurwaarder » in « gerechtsofficier ».

DOELSTELLINGEN

1) Regionalisering

Zoals bij andere beroepsorden kan ook inzake de gerechtsdeurwaarders worden vastgesteld dat er verschillen bestaan tussen de Nederlandstaligen en Franstaligen in de benadering van de richting waarin zij het beroep willen laten evolueren en in de interpretatie van sommige deontologische regels. De cultuurverschillen en de verschillende zienswijze tussen Nederlandstaligen en Franstaligen vertragen de besluitvorming.

Ook de benadering van de rechtzoekende verschilt.

De verschillende communautaire ingesteldheid en zienswijze leiden in een aantal gevallen tot immobilisme.

Het splitsen van de bestaande Nationale Kamer in een Nederlandstalige Regionale Kamer en een Franstalige Regionale Kamer kan dit immobilisme ontmijnen; zo is elke regionale kamer in staat een eigen dynamiek te creëren.

Daarom vormt dit wetsvoorstel de bestaande Nationale Kamer enerzijds om tot een overkoepelende Federale Kamer die een protocollaire functie krijgt toebedeeld en anderzijds tot een verzoeningsinstantie die eventuele conflicten tussen de regionale kamers moet oplossen.

De kern van de bestuurs- en beslissingsmacht wordt toevertrouwd aan de nieuw op te richten Nederlandstalige en Franstalige Regionale Kamers.

De Vaste Raad van de Nationale Kamer wordt afgeschaft.

Het wetsvoorstel voorziet in een directe participatie in het bestuur door alle leden, verenigd in de algemene vergadering van één van beide regionale kamers.

2) Objectivering van de benoeming, versterking en opwaardering van het tuchtrecht

a) Benoeming

In navolging van de nieuwe objectieve benoemingsprocedures in de magistratuur en in het notariaat is het aangewezen dat ook voor de gerechtsdeurwaarders een gelijkaardige regeling uitgewerkt wordt. Het gaat immers net zoals in het geval van de notarissen om ministeriële openbare ambtenaren die bekleed zijn met overheidsgezag.

De toebedeling van het ambt dient dan ook overeenkomstig objectieve maatstaven te gebeuren, waarbij ernaar wordt gestreefd de meest geschikte kandidaat op de juiste plaats te benoemen.

Een identiek systeem invoeren als voor het notariaat stuit evenwel op enkele praktische bezwaren.

Het invoeren van een vergelijkend examen zou afbreuk doen aan de specifieke situatie van de kandidaat-gerechtsdeurwaarders die al jarenlang plaatsvervangingen vervullen en daarop hun persoonlijke levenssituatie en financiële verbintenissen hebben afgestemd.

Bij niet-gunstige rangschikking — met gevolg dat zij geen plaatsvervangingen meer zouden kunnen vervullen — ontstaan in hun hoofde persoonlijke familiale en financiële drama's.

In het licht van het voorgaande wordt het aangewezen geacht om de kandidaat na drie jaar stage te laten beoordelen door een homologatiecommissie die vooral praktijkgericht oordeelt, maar uiteraard ook nagaat of de kandidaat zich sinds het behalen van zijn diploma permanent heeft bijgewerkt door deel te nemen aan colloquia, studiedagen en het doornemen van vakliteratuur. Tot de evaluatiecriteria van de benoemingscommissie zouden ook moeten behoren : de psychosociale vaardigheden (bijvoorbeeld technieken van conflictbeheersing) om een zo delicaat beroep als gerechtsdeurwaarder uit te oefenen, een peiling naar de motieven waarom hij gerechtsdeurwaarder wil worden en het zoeken bij een kandidaat naar de rechtstheoretische beschouwingen over het beroep.

b) Tucht en deontologie

Gerechtsdeurwaarders kunnen hun monopolie en bevoorrechte status van openbaar ministerieel ambtenaar, bekleed met overheidsgezag, pas legitimeren vanuit een zeer strikte beroepsethiek en deontologie. Naast het feit dat bepaalde misdragingen strafrechtelijk beteugeld moeten worden, is een goed functionerend tuchtrecht van wezenlijk belang. Enkel daardoor kan men het vertrouwen van de overheid en rechtsonderhorigen onvoorwaardelijk blijven genieten en kan men een korps van ambtenaren uitbouwen, klaar om hun ambt in onze hoogtechnologische en alsmaar meer gejuridiseerde samenleving waar te nemen en tal van nieuwe opdrachten te vervullen.

Het tuchtrecht wordt uit de arrondissementele sfeer gehaald en opgetild naar een niveau van tuchtrechtspraak georganiseerd per ressort van een hof van beroep. Dit bevordert de eenheid van rechtspraak. De tuchtrechtspraak is ook niet meer in handen van enkel beroepsgenoten. Externen doen hun intrede, wat de aanvaarding van de beslissingen inzake tucht bij de buitenwereld, met name bij de klagers, enkel kan verhogen (cf. A. Verbeke, « De Gerechtsdeurwaarder anno 2001. Nieuwe opdracht. Nieuw statuut. Nieuwe tucht », in « De Gerechtsdeurwaarder in Europa : de keuze voor de toekomst », Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders (ed.), Intersentia Rechtswetenschappen, Antwerpen-Groningen, 2001, nrs. 84-103). Hoger beroep tegen een beslissing van het tuchtorgaan wordt volledig uit de sfeer van berechting door gelijken gehaald en toevertrouwd aan de gewone burgerlijke rechtbanken van eerste aanleg. Dit strookt dan ook met de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg om hogere tuchtstraffen op te leggen.

3) Geen nood aan een loutere kopie van het statuut van de notarissen — Continuïteit van de kantoren

De jongste jaren zijn reeds diverse voorstellen ingediend tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarders.

Zij inspireren zich alle in hoge mate op het notariaat. Niet ten onrechte : beide ambten vertonen vele gelijkenissen.

Het zijn beiden openbare ministeriële ambtenaren met een monopolie en ministerieplicht, bekleed met een deel van het overheidsgezag, die hun ambt uitoefenen onder het statuut van de beoefenaar van een vrij beroep. Ze hebben beide authentificatiebevoegdheid.

Toch zijn er belangrijke verschillen die een andere regeling rechtvaardigen.

Het gerechtsdeurwaardersstatuut hoeft geen blauwdruk te zijn van het notarisstatuut, zoals bepaald in de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt (Belgisch Staatsblad van 1 oktober 1999).

De notarissen sleepten een twee eeuwen oud statuut mee (cf. de wet 25 ventôse jaar XI op het notarisambt), daar waar het napoleontisch gerechtsdeurwaardersstatuut (decreet van 14 juni 1813 dat een globale wettelijke regeling van het deurwaardersambt behelsde) reeds in 1963 met de wet van 5 juli 1963 tot regeling van het statuut der gerechtsdeurwaarders (nadien opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek van 1967) is aangepast; laatst in 1992 heeft het statuut van de gerechtsdeurwaarders een heus aggiornamento gekend door de wet van 6 april 1992 (Belgisch Staatsblad van 13 mei 1992).

De gerechtsdeurwaarders kennen nu reeds 40 jaar het systeem van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder die een titularis tijdelijk kan vervangen, wat de kandidaat in de mogelijkheid stelt praktijkervaring op te doen, en de titularis de mogelijkheid geeft tijdelijk ontlast te worden van zijn ambtelijke verplichtingen om zich toe te leggen op zijn kantoororganisatie, bijscholing, de toenemende fiscaal-sociale beslommeringen, personeelsbeleid, en dergelijke.

De notarissen hebben dergelijk systeem van plaatsvervangingen door kandidaten nooit gekend.

Dit systeem van plaatsvervangingen door kandidaten beantwoordt reeds veertig jaar aan de praktijkbehoeften en geeft algehele voldoening, zonder dat misbruiken bekend zijn.

Er is dan ook geen objectieve reden voorhanden om het systeem van de geassocieerde kandidaat-notaris over te nemen. Praktisch zou dit leiden tot een verdubbeling van het aantal gerechtsdeurwaarders, waar in de huidige sociaal-economische context in België absoluut geen nood aan is.

De aan de gerechtsdeurwaarders toebedeelde bevoegdheden zijn de jongste decennia immers ingekrompen (invoering van het tegensprekelijk verzoekschrift, de aangetekende brief als equivalent van het exploot in diverse materies, beperking van de beslagmogelijkheden en dergelijke).

Een de facto uitbreiding van het aantal gerechtsdeurwaarders door de invoering van de geassocieerde kandidaat, zoals in het notariaat, is dan ook niet wenselijk.

Het is belangrijk erop te wijzen dat ingeval van plaatsvervanging van een titularis door een kandidaat-gerechtsdeurwaarder, enkel die laatste ambtshandelingen mag stellen. Er is dus geenszins sprake van een dubbele handtekeningbevoegdheid zoals de notarissen dit nu kennen sinds de invoering van de « geassocieerde notaris ».

Continuïteit van de kantoren

De gerechtsdeurwaarders kennen reeds decennialang associaties van twee of meer gerechtsdeurwaarders, al of niet in vennootschapsvorm. Het Wetboek van vennootschappen biedt voldoende mogelijkheden aan gerechtsdeurwaarders die dat wensen om een burgerlijke vennootschap op te richten. De bestaande praktijk van gerechtsdeurwaardersassociaties bewijst dat een rigoureuze regeling, zoals die voor notarissen is uitgewerkt, voor de gerechtsdeurwaarders geenszins nodig is.

Dit belet niet dat toch in een continuïteitsregeling moet voorzien worden, vooral voor die kantoren waarin slechts één titularis werkzaam is.

De huidige toestand bij ontslag, overlijden, afzetting of zelfs langdurige schorsing creëert een discontinuïteit, wat de openbare dienstverlening in het gedrang brengt en een slechte zaak is voor de ontslagnemende gerechtsdeurwaarder of zijn erfgenamen, personeel en opdrachtgevers.

Daarom wordt in dergelijke gevallen geëist dat de opvolger de dossiers overneemt mét het personeel (ook « sociaal passief » genoemd), en de lopende huur, renting-, leverings- en leasingcontracten voortzet, voor zover ze behouden blijven.

Een overnamevergoeding voor cliënteel en goodwill, zoals bij de notarissen, is misschien niet haalbaar.

Een openbaar ambt kan in principe niet verhandeld worden. De bestaande regeling in het notariaat is gebaseerd op een zeer oude traditie. Elke notaris heeft betaald voor zijn ambt en dit plots afschaffen is onbillijk.

Anderzijds heeft geen enkele Belgische gerechtsdeurwaarder een overnamevergoeding moeten betalen; het is onbillijk te verlangen dat men betaald wordt voor de overlating van een kantoor dat men heeft uitgebouwd op basis van een monopolie met concessie dat men van de overheid heeft gekregen (cf. A. Verbeke, o.c., nrs. 62-75, die letterlijk (nr. 71, 2e alinea) stelt : « Van de overnemer kan mijns inziens alleen worden geëist dat hij de akten overneemt, alsook het personeel (sociaal passief) en de lopende huur- en leveringscontracten en dat hij afrekent omtrent tegoeden die betrekking hebben op prestaties geleverd door zijn voorganger. Op die manier kan de overname geschieden « met gesloten beurzen ». Noch de overdrager, noch de opvolger moeten dan geld op tafel leggen. Dit is een enorme vooruitgang tegenover de onbillijke toestand zoals deze vandaag bestaat »).

4) Naamswijziging in « gerechtsofficier »/« officier de justice »

De benaming « gerechtsdeurwaarder » is een anachronisme. De vlag dekt de lading niet meer.

In de Bourgondische periode waren « deurwaarders » ambtenaren van het centrale bestuur — het waren hofambtenaren — benoemd door de vorst. De benaming hield een directe verwijzing in naar de oorspronkelijke functie, namelijk het bewaken van de vergaderplaats van de vorst. Hij vergaderde in een raadzaal met getrouwen en vazallen, de « curia » genaamd. Die « curia » diende bewaakt te worden, aan de ingang van de deur, door een deurwachter of « huissier ». De hertog belastte die deurwaarder na verloop van tijd ook met het uitdragen van de beschikkingen. Die konden zowel op een bestuurs- als een rechterlijke aangelegenheid slaan : het uitbrengen van een bestuursbeslissing van de « curia », het oproepen om aanwezig te zijn en het ter kennis brengen van de beslissingen van de curia in rechtszaken. Uiteindelijk werd die « deurwaarder » ook belast met de uitvoering van de beslissingen van de « curia ». Ingevolge een specialisatie van de rechterlijke instellingen verdwenen de deurwaarders uit de directe hofentourage en ontstond hun zelfstandig karakter. De rol van traditionele bewakingsfunctionaris evolueerde naar een uitvoeringsagent van de gerechtelijke beslissingen en had dus niets meer vandoen met het « bewaken van een deur ». Deze « deurwaarder » evolueerde dus in de Bourgondische periode tot een zuivere gerechtsfunctionaris omdat hij zich quasi uitsluitend bezig hield met oproepingen voor de rechtbanken, meedelen en uitvoering van de uitspraken in rechtszaken en dit voor de diverse rechtscolleges die zich geleidelijk ontwikkelden.

De wasdom van het « deurwaardersambt » loopt parallel met de ontplooiing van het centraal gezag. Daarbij zijn de gerechtsdeurwaarders altijd blijven functioneren als een direct aangestelde van het centraal gezag. Daardoor is men ze blijven beschouwen als vorstelijke ambtenaren. Toch zijn de gerechtsdeurwaarders erin geslaagd als groep hun voormalige hoffunctie (en dus bewakingsfunctie) te overstijgen, zijn ze gaan functioneren in nieuwe structuren en werden ze vertrouwde figuren in de gerechtelijke wereld. Ze werden een justitieel persoon die dagvaardingen betekende, vonnissen ten uitvoer bracht middels beslag en openbare verkoop, en dit als centraal functionaris die een officie van de vorst vervulde.

De term « gerechtsofficier » heeft een betere connotatie dan « gerechtsdeurwaarder » en sluit ook veel nauwer aan bij de huidige taken en status van deze openbare ministeriële ambtenaar.

Reeds het wetsvoorstel Pierson, De Gryse en Jeunehomme van 29 april 1959 (stuk, Kamer, 1958-59, nr. 203/1) spreekt van « gerechtelijk officier » en vermeldt dat « deze titel ... trouwens in overeenstemming is met de hoedanigheid van ministerieel officier die de deurwaarders bezitten, en ... terecht het prestige zal verhogen van deze hulpambtenaren van het gerecht zonder wie de rechtsbedeling louter platonisch zou zijn ».

De afschaffing van de dienst op de terechtzitting, in 1963, betekende definitief het einde van de oorspronkelijke « deurwaarders »-opdrachten. Het was een anachronisme geworden dat wel nog doorleeft in de hedendaagse benaming. Het is dus hoog tijd dat die achterhaalde benaming wordt afgeschaft. (cf. X. Lesage, « Den Duerwaerder — geschiedenis van het gerechtsdeurwaardersambt », Uitgeverij Pelckmans, Kapellen, 1993, p. 16-133 en p. 296-297 en p. 302).

De term « gerechtsofficier/officier de justice » sluit aan bij de justitieel maatschappelijk-economische en sociale rol die deze openbare ambtenaren thans vervullen. De directe band met de rechtbank is al veertig jaar geleden doorgeknipt; het « bewaken » van de rechtbank is al eeuwen afgeschaft. Het accent is hoofdzakelijk verschoven naar het uitvoeren van allerlei uitvoerbare titels, waarbij het bekleed zijn met (een deel van) overheidsgezag en het verlenen van authenticiteit cruciaal is. Ook in Italië wordt die openbare ambtenaar « Ufficiale Giudiziario » genoemd.

Vandaar dat geopteerd wordt voor een nieuwe benaming : « gerechtsofficier ». Enkel nog deze term wordt verder in dit wetsvoorstel gehanteerd.

Dit is trouwens ook geheel in overeenstemming met het dagelijks taalgebruik : volgens « Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal is « officie » een ambt en « officier » ambtenaar.

In het Frans komt dit nog beter tot uiting. Volgens de Dictionnaire Français Illustré — René Guéret-Laferté is « officier » : « personnage revêtu d'un pouvoir officiel ». Volgens de Nouveau dictionnaire illustré de P. Larousse is een « officier » : « celui qui a un office, une charge : officier de justice, ... ».

In het verleden is de term « officier ministériel » ook altijd al gebruikt geweest om onder andere « gerechtsdeurwaarders » aan te duiden. In de Code professionel de l'Huissier van J. Stévenart wordt « Officier ministériel » zeer bondig maar treffend als volgt omschreven : « homme public nommé par le Roi pour prêter son ministère aux juges ou aux parties, ou pour dresser des actes authentiques, toutes les fois qu'il en est légalement requis ». Een betere omschrijving van wat een gerechtsdeurwaarder/gerechtsofficier dagelijks doet is niet mogelijk.

In het Duits kan de term « Gerichtsvollzieher » behouden blijven omdat die term niet refereert aan de oorspronkelijke bewakingsfunctie van het Hof zoals « deurwaarder » of « huissier », maar effectief aanduidt wat deze ambtenaar doet : « vollziehen » wil immers zeggen « voltrekken, uitvoeren, ten uitvoer brengen ».

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 2

— Nieuw artikel 509 Gerechtelijk Wetboek

Een duidelijke definitie van wat een gerechtsofficier is, sluit elke toekomstige discussie desbetreffend uit. De term ministerieel officier wordt op diverse plaatsen gehanteerd (zie bijvoorbeeld artikelen 269, 276 en 280 van Strafwetboek, 610, 866 en 1088 Gerechtelijk Wetboek).

De term « ministerieel officier » refereert perfect aan het ambt dat de gerechtsofficieren uitoefenen : het zijn zelfstandige niet door de Staat bezoldigde ambtenaren, die een vrij beroep uitoefenen én toch bekleed zijn met een deel van het overheidsgezag, waarbij het publiek rechtstreeks op hen een beroep kan doen en ze voor hun ambtelijke taken een monopolie gekregen hebben mét ministerieplicht.

Tevens kan best onomstotelijk in het statuut zelf bepaald worden dat hun akten authentiek zijn. Dit komt de rechtszekerheid ten goede.

— Nieuw artikel 510 Gerechtelijk Wetboek

Artikel 510, § 1, 2º, Gerechtelijk Wetboek is een anticipatie op het verdwijnen van de universitaire titel « licentiaat in de rechten » ingevolge het bachelor- en masterprogramma dat is ingevoerd aan de Belgische universiteiten (ingevolge de zogenaamde Bologna-verklaring).

Artikel 510, § 2, Gerechtelijk Wetboek brengt de stage op drie jaar; daar is nood aan, gelet op de toenemende complexiteit van het beroep. De stagiair moet de kans krijgen de titularis vaak te vergezellen bij de opdrachten buiten kantoor, waardoor hij veel uithuizig is; toch moet ook de nodige administratieve vaardigheid opgedaan worden op kantoor en mag het redactionele en juridische aspect van het ambt niet uit het oog verloren worden; dit laatste kan op kantoor bij de (veelal) ervaren personeelsleden aangeleerd worden. Ook sociale contacten met opdrachtgevers en schuldenaren spelen zich niet alleen ter plaatse af maar ook op kantoor.

Nieuw is de mogelijkheid om één jaar stage te lopen in het buitenland (gedacht wordt vooral aan Nederland en Frankrijk waar het beroep een nagenoeg identieke organisatie kent) of op een griffie, op een notariskantoor, aan de balie of aan een universiteit. Dit geeft de stagiair de kans een multidisciplinaire kijk op het beroep te krijgen en zal leiden tot een intellectuele en organisatorische verrijking van de betrokken stagiair.

— Nieuw artikel 511 Gerechtelijk Wetboek

Dit artikel bakent de periodes van onderbreking en schorsing van de stage nauwkeuriger af. Bedoeling is dat de stagiair echt aanwezig is zonder lange onderbrekingen. Pro-formastages moeten definitief tot het verleden behoren.

— Nieuw artikel 512 Gerechtelijk Wetboek

Dit artikel kadert in de objectivering van de benoemingen (cf. supra in de toelichting).

De tussenkomst van de voorzitter van de Nationale Kamer — na de wetswijziging Federale Kamer — wordt weggelaten omdat die functie herleid wordt tot een louter protocollaire. Het is niet opportuun de voorzitters van de op te richten regionale kamers in de plaats te stellen. Dit is voor hen onnodig werk zonder toegevoegde waarde. Het zwaartepunt wat betreft het nazien van de dossiers op hun volledigheid ligt bij de arrondissementskamers, de benoemingscommissie en de federale overheidsdienst Justitie. De intrede van externen in de benoemingscommissie is een garantie dat de selectie gebeurt in alle objectiviteit. Specifiek wordt in het kader van artikel 512, § 3, 4º, gedacht aan magistraten, notarissen, bedrijfsrevisoren, overheidsambtenaren.

— Nieuw 513 artikel Gerechtelijk Wetboek

Het laatste lid van dit artikel geeft het vroegere artikel 555bis Gerechtelijk Wetboek een logischer plaats in het geheel.

— Nieuw artikel 514 Gerechtelijk Wetboek

Innoverend is § 2 van dit artikel : het is logisch dat de handtekening en paraaf van de nieuwbenoemde gerechtsofficier ter griffie wordt gedeponeerd. Het gaat immers om officiële handtekeningen van openbare ambtenaren waarvan de overheid te allen tijde de echtheid moet kunnen nagaan en waarborgen (bijvoorbeeld in het kader van legalisatie van de handtekening op verzoek van buitenlandse overheden).

— Nieuw artikel 515 Gerechtelijk Wetboek

De vaste raad van de nationale kamer wordt afgeschaft. Deze instantie kan dan ook geen adviezen meer verlenen met betrekking tot het aantal gerechtsofficieren.

Deze bevoegdheid overdragen aan de op te richten regionale kamers heeft weinig zin omdat die toch geen concreet zicht hebben op de situatie ter plaatse; die beoordeling kan beter integraal overgelaten worden aan het openbaar ministerie en de lokale arrondissementskamer. De criteria waarop men kan steunen zijn divers : bevolkingsaantal, bedrijven (handelsvennootschappen en eenmanszaken) gevestigd in de betrokken regio, economische activiteitsgraad, concentratie van bestuursinstellingen, publiekrechtelijke rechtspersonen, evolutie van het aantal akten en dergelijke.

Gerechtsofficieren worden voor het leven benoemd met die nuancering dat degenen die ouder zijn dan 70 jaar niet meer zijn inbegrepen in het door de Koning bepaalde aantal.

Er wordt niet gekozen voor een ontslag van rechtswege op 65, 67 of 70 jaar : de gerechtsofficier oefent een vrij beroep uit en in die optiek is het onaanvaardbaar hem een leeftijdsbeperking op te leggen. De uitoefening van een zelfstandig beroep tot zolang men dat zelf wil, behoort tot de essentie van het vrij beroep. De activiteit van een gerechtsofficier doen stoppen op 65, 67 of 70 jaar is contradictorisch met het feit dat mensen steeds ouder worden en de kwaliteit van het leven ook op oudere leeftijd verbeterd is.

Daarbij mag men niet uit het oog verliezen dat momenteel veel kandidaten pas op latere leeftijd benoemd worden.

Uit gegevens verstrekt door de huidige Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders en bewerkt door de Conferentie van Vlaamse Gerechtsdeurwaarders, blijkt dat benoemingen steeds vaker op latere leeftijd plaatsvinden (bij recente benoemingen is het aantal late dertigers en veertigplussers opvallend hoog). Bij verplicht ontslag op 67 jaar zouden veel titularissen er nauwelijks of niet in slagen dertig jaar aan de slag te zijn. Men moet toch de kans krijgen om minstens een dertigjarige carrière als titularis uit te bouwen. Een zelfstandige moet zijn voorzieningen voor de oude dag zelf aanleggen. Ingevolge een sterk toegenomen fiscale en parafiscale druk en zware investeringen om een praktijk uit te bouwen zijn de verdiensten, in vergelijking met twintig tot dertig jaar geleden, sterk afgeroomd. Vandaar dat een carrière van minstens dertig jaar noodzakelijk is en men de mogelijkheid moet hebben ook na de leeftijd van 65, 67 of 70 jaar verder te werken, al dan niet in samenwerking met een nieuwbenoemde titularis, volgens eigen behoeften (deeltijds of voltijds). Een oudere titularis kan nog nuttig meewerken en een pak ervaring overdragen aan zijn opvolger. De opgedane ervaring blijft aanwezig in het kantoor en de beschikbaarheid verhoogt.

In het notarisstatuut is wel een leeftijdsgrens ingebouwd waarop men verplicht ontslag moet geven, maar de notaris wordt in tegenstelling tot gerechtsofficieren vergoed voor de overname van zijn kantoor, zodat de vergelijking op dit vlak niet opgaat. Het zou dan ook onbillijk en discriminerend zijn om gerechtsofficieren enerzijds ook te verplichten op een bepaalde leeftijd te stoppen maar hen anderzijds geen overnamevergoeding voor hun kantoor toe te kennen.

— Nieuw artikel 516 Gerechtelijk Wetboek

Een expliciete opsomming van de taken van gerechtsofficieren lijkt nuttig. Men kan dan niet meer betwisten wat al dan niet tot hun takenpakket behoort. Gelet op het feit dat het om openbare ambtenaren gaat, is een duidelijke afbakening een goede zaak. In die optiek kadert ook het duidelijk onderscheid tussen monopolietaken met ministerieplicht en bevoegdheden zonder ministerieplicht : dat kan veel betwistingen en nutteloze klachten vermijden.

— Nieuw artikel 517 Gerechtelijk Wetboek

De uitzonderingen op de ministerieplicht worden uitgebreid. De gerechtsofficier mag niet alleen niet optreden voor maar evenmin tegen familieleden en aanverwanten. Het artikel wordt ook aangepast aan de nieuwe samenlevingsvormen en aan het feit dat veel rechtsverkeer verloopt via rechtspersonen.

Tevens krijgt de gerechtsofficier de kans aan zijn ministerieplicht geen gevolg te moeten geven indien dit redelijkerwijs beoordeeld niet van hem kan verlangd worden (bijvoorbeeld wanneer hij opdracht zou krijgen een uitvoering op te starten tegen een bevriend persoon, een personeelslid of een vereniging waarvan hij zelf deel uitmaakt). Ook wanneer de gevraagde provisie niet betaald wordt, het dossier onvolledig is, de termijnen verstreken zijn of te krap zijn om nog met de nodige zorg een rechtshandeling te kunnen stellen (bijvoorbeeld akten die moeten vertaald worden) kan de gerechtsofficier zijn ambt weigeren.

— Nieuw artikel 518 Gerechtelijk Wetboek

Het is de logica zelf dat een gerechtsofficier onderwijsopdrachten kan aanvaarden of publiceert als auteur. Dit verbieden zou een rem zijn op de wetenschappelijke ontwikkeling van het ambt.

— Nieuwe artikelen 519-523 Gerechtelijk Wetboek

Het blijft noodzakelijk dat de Koning een tarief (zie artikel 519,§ 1) vastlegt voor alle akten en ambtelijke taken van de gerechtsofficieren en dit omwille van het gelijkheidsbeginsel.

Tarifering à la tête du client kan niet voor ambtelijke monopolietaken. Dit is geenszins in strijd met de wet op de economische mededinging en de Europese concurrentieregels, die volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie weliswaar van toepassing zijn op de vrije beroepen. Waar dit inderdaad zo kan beoordeeld worden voor vele vrije beroepen geldt dit niet voor de gerechtsofficieren : hun tarieven worden niet door de beroepsvereniging vastgelegd maar door de overheid — wetgever in de ruime zin van het woord — opgelegd.

Wat de niet door de Koning vastgelegde tarieven betreft is het toch verantwoord de Regionale Kamers de bevoegdheid te verlenen om minimumtarieven op te leggen, en dit om de economische leefbaarheid van de kantoren te garanderen. Niemand heeft baat bij kantoren die enkel break-even draaien of zelfs verlieslatend zijn. Bovendien zou dit de kwaliteit van het ambtelijke werk, gebaseerd op objectiviteit en grondigheid, in het gedrang brengen. Een resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2001 erkent het belang dat in bepaalde lidstaten wordt toegekend aan verplichte tarieven en dit onder meer om diensten van hoge kwaliteit mogelijk te maken. Dit in tegenstelling met de incassokantoren waar de tarieven louter bepaald worden door hoeveelheid, los van de kwaliteit en objectiviteit.

Het is evident dat de boekhouding (zie artikel 519, § 2) op een uniforme wijze gevoerd wordt, met het oog op transparantie. Dit moet effectieve controles door de arrondissementskamers en regionale kamers mogelijk maken.

Omwille van een goede rechtsbedeling en om het vertrouwen in justitie en het korps van gerechtsofficieren hoog te houden, is het belangrijk dat derdengelden snel, met name binnen de maand, afgedragen worden.

Tevens is het van belang te regelen wat de rechten zijn van een cliënt, ingeval van samenloop, op het vermogen van de gerechtsofficier. Vandaar de invoering van de kwaliteitsrekening. Dit is een rekening die uitsluitend wordt aangehouden in een bepaalde hoedanigheid en die is afgescheiden van het eigen vermogen van de rekeninghouder (zie « De Valks Juridisch Woordenboek » Intersentia, Antwerpen, 2001, 187).

De artikelen betreffende de voortzetting en overdracht van dossiers en bestanddelen van een kantoor zijn nieuw en beantwoorden aan een grote nood desbetreffend.

Het oude artikel 512 bepaalde weliswaar in § 5 dat de Koning de procedure en de regels voor de voortzetting van het kantoor bepaalde ingeval van ontslag, overlijden, schorsing of afzetting. Tot nu toe is dit koninklijk besluit niet uitgevaardigd. Dit valt te betreuren, omdat op die manier grote onzekerheid bestaat voor alle betrokken partijen. Daarom wordt die bevoegdheid niet meer toevertrouwd aan de uitvoerende macht maar is het beter de voortzetting en overdracht in de wet zelf te regelen.

— Artikelen 524-530 Gerechtelijk Wetboek

Aan de plaatsvervanging wordt niets gewijzigd.

De vele plaatsvervangingen die gebeuren wijzen erop dat gerechtsofficieren meer en meer tijd moeten vrijmaken voor kantoorgebonden administratieve taken.

De vervangingen gebeuren niet enkel omwille van vakantie (of ziekte), maar vooral om veel op kantoor aanwezig te kunnen zijn.

Zo kan de titularis, die uiteindelijk aansprakelijk is voor de goede werking van zijn kantoor en de juridische juistheid van de akten, veel probleemgevallen onderzoeken en bespreken met opdrachtgevers, derden en ook met schuldenaars.

De plaatsvervangingen zijn ook een zeer goede leerschool voor de betrokken kandidaat die alzo veel veldwerkervaring opdoet en hem zelfstandig ogenblikkelijk leert handelen.

Uiteraard heeft de opkomst van de mobiele telefonie een gans systeem van backoffice (met de titularis) mogelijk gemaakt, zodat foutieve beslissingen tot een minimum gereduceerd worden.

De vervangingen geven de titularis de kans ook zijn taken waar te nemen als werkgever (human resources wordt steeds belangrijker), de accountancy te superviseren (een zelfstandige moet permanent zijn cijfers en balansen checken), het kantoormanagement te voeren, nieuwe communicatietechnieken en computervaardigheden op te doen (bijvoorbeeld verwerking digitale foto's in processen-verbaal) en vooral moeten de vervangingen hem in de mogelijkheid stellen de stroom nieuwe wetgeving bij te houden, evenals de talrijke publicaties van rechtspraak en rechtsleer, en colloquia te volgen. De titularis moet ook beschikbaar zijn om raad en advies te geven en te bemiddelen.

In de praktijk stelt men verregaande samenwerkingen vast tussen een titularis en een kandidaat (niets belet hen om samen een burgerlijke vennootschap op te richten). Maar daarom is het nog niet nodig naar het voorbeeld van de notarissen de geassocieerde kandidaat te creëren.

Omdat in het geval van plaatsvervangingen slechts één persoon akten kan betekenen of authentificeren, loopt men niet het risico dat bepaalde personen het systeem zouden misbruiken om aan massaproductie te doen door met twee tegelijk te betekenen (of ingeval van een associatie van titularissen te betekenen met een veelvoud van het aantal titularissen).

Daardoor kan men vermijden dat grote kantoren kleine (gespecialiseerde kantoren) uit de markt duwen. De titularis van een klein kantoor met een specifieke dienstverlening (bijvoorbeeld vaststellingen, inventarissen, schuldbemiddeling) verdient bescherming en moet een kantoor hebben dat leefbaar is en blijft.

Indien er enkel nog zeer grote kantoren bestaan, blijft een deel van de rechtzoekenden verstoken van een specifieke dienstverlening. Het huidig systeem van de plaatsvervanging (met verbod aan de vervangen titularis om ambtshandelingen te stellen) is de beste garantie om misbruiken te voorkomen.

In het kader van het aanzienlijk werkverlies van de voorbije jaren en hetgeen in de komende jaren nog te verwachten is (veralgemening contradictoir verzoekschrift, invoering schuldloze echtscheiding, rationalisering van de uitvoeringsprocedures, toenemende concurrentie van commerciële incassokantoren, toename van het aantal collectieve schuldenregelingen en dergelijke) is het daarom best dat het aantal titularissen status-quo blijft en men geen dubbele handtekeningbevoegdheid (titularis en kandidaat tegelijk) creëert.

— Nieuwe artikelen 531-542 Gerechtelijk Wetboek

Een goed functionerend tuchtrecht is van wezenlijk belang om een hoogstaand korps van gerechtelijke ambtenaren — specifiek met betrekking tot hun uitvoeringsopdrachten — te creëren. Daarbij moet vooral het tuchtprocesrecht van uitmuntende kwaliteit zijn omdat een algehele codificatie van het materiële tuchtrecht mogelijk noch wenselijk is (cf. A. Verbeke, o.c., nr. 88). Volgens prof. A. Verbeke moet tuchtprocesrecht voldoen aan de vereisten van een rechtvaardig proces. Dit omvat drie aspecten : het recht op een onpartijdige en onafhankelijke rechter; het recht op een openbaar proces en uitspraak; het recht van verdediging (tegensprekelijk proces en informatieverstrekking aan de beklaagde) (Zie : A. Verbeke, o.c., nrs. 90-98).

Het is ook belangrijk dat de tuchtrechtspraak niet geheel in handen is van beroepsgenoten. De intrede van externen komt de geloofwaardigheid ten goede (zie artikel 534). Bij gebrek aan externen ontstaat een schijn van partijdigheid. Om die indruk te vermijden is ook bepaald dat geen gerechtsofficier van het arrondissement van de beklaagde deel mag uitmaken van de tuchtcommissie.

Het feit dat ook de klager hoger beroep kan instellen (artikel 538) versterkt het vertrouwen in de tuchtrechtspraak.

Hoger beroep tegen een beslissing van het tuchtorgaan wordt volledig uit de sfeer van berechting door gelijken gehaald en toevertrouwd aan de gewone burgerlijke rechtbanken van eerste aanleg. Dit houdt dan ook gelijke tred met de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg om hogere tuchtstraffen op te leggen. Tegenover buitenstaanders vergroot dit nog het vertrouwen in een onafhankelijke tuchtrechtspraak.

Sancties moeten proportioneel zijn in verhouding tot de begane misstap. Tevens moeten ze effectief zijn indien het tuchtrecht enig daadwerkelijk effect wil opleveren. Vandaar dat in forse geldsancties voorzien wordt (artikelen 531 en 532). De opbrengst daarvan komt ten goede aan het solidariteitsfonds van de betrokken arrondissementskamer. Er is geen reden voorhanden om de boetes aan de schatkist toe te kennen.

Een zeer nuttig mechanisme in termen van effectiviteit van het tuchtrecht is de preventieve schorsing (artikel 541), overgenomen uit de notariswet.

Tijdens de duur van de schorsing mag de gerechtsofficier zijn ambt niet uitoefenen of vervangen worden. Dergelijke schorsing kan enkel worden uitgesproken door de bevoegde voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend in kort geding. De zaak wordt aanhangig gemaakt door de tuchtcommissie of het parket.

De preventieve schorsing kan worden uitgesproken indien er ernstige vermoedens bestaan over de gegrondheid van de ten laste gelegde feiten en er kennelijk gevaar bestaat dat de voortzetting van de beroepsactiviteit ernstig nadeel kan berokkenen aan derden of in belangrijke mate afbreuk kan doen aan de waardigheid van het gerechtsofficierenkorps. De maatregel kan worden opgelegd maximaal voor de duur van de procedure.

Tevens wordt voorzien in de mogelijkheid om een preventieve schorsing op te leggen nog voordat enige tucht- of strafrechtelijke procedure werd ingeleid. In dit geval is de schorsing beperkt tot een maximumtermijn van één maand.

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan de maatregel op elk ogenblik opheffen (Zie : A. Verbeke, o.c., nr. 99).

— Nieuwe artikelen 543-548 Gerechtelijk Wetboek

Deze artikelen regelen de bevoegdheden, werking en organen van de arrondissementskamers.

Er wordt vastgehouden aan het principe van een organisatie op arrondissementeel niveau en niet op provinciaal niveau, zoals bij de notarissen. Een organisatie per arrondissement staat het dichtst bij de basis en kan best inspelen op de lokale noodwendigheden. Nu het tuchtrecht op het niveau van het ressort van elk hof van beroep is gebracht, bestaat er geen gevaar meer voor te kleine arrondissementele omschrijvingen met een mank tuchtrecht.

Nieuw is onder meer de oprichting van een solidariteitsfonds (artikel 546, 10º) ten behoeve van de leden of hun rechthebbenden. Uit dit fonds kan geput worden bij noodgevallen (zie bijvoorbeeld de doodslag op een plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder en zijn getuige in Beringen enkele jaren geleden).

Innoverend is artikel 548 : echte solidariteit tussen de leden impliceert dat iedereen zijn bijdrage aan de kamer betaalt. De effectieve afdwingbaarheid daarvan wordt gewaarborgd door de raad de mogelijkheid te geven daartoe een dwangschrift uit te vaardigen, uitvoerbaar verklaard door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

— Nieuwe artikelen 549-550 Gerechtelijk Wetboek

Middels deze artikelen komt het wetsvoorstel tegemoet aan de staatkundige realiteit in ons land, met name de voortschrijdende communautarisering. De huidige Nationale Kamer wordt omgevormd tot een Federale Kamer, met protocollaire en verzoenende bevoegdheid. De leden van het directiecomité van de Federale Kamer vervullen vooral een honoraire functie.

Artikel 549, § 4, creëert een Nederlandstalige Regionale Kamer en een Franstalige Regionale Kamer van Gerechtsofficieren.

De gerechtsofficieren van het Vlaamse Gewest behoren tot de Nederlandstalige Regionale Kamer.

Tot het Vlaams Gewest behoren : de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en de administratieve arrondissementen Halle-Vilvoorde en Leuven.

Tot het Waals Gewest behoren : de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en het administratief arrondissement Nijvel.

De gerechtsofficieren van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (= administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, zoals bepaald in artikel 2, § 1, bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen) kunnen een éénmalige niet-herroepbare keuze maken voor de Nederlandstalige of Franstalige Regionale Kamer.

Het zwaartepunt van de beroepsorganisatie van de gerechtsofficieren komt bij de Regionale Kamers te liggen. Elk van de Kamers kan aan haar beleid een eigen invulling geven, afgestemd op de sociaal-economische noden van haar taalgroep.

De invoering van artikel 550, §§ 4 en 5, maakt een instelling als een vaste raad, zoals die bestaat in de huidige Nationale Kamer, overbodig en is een stap in de richting van directe democratie. Binnen een kleine beroepsgroep als de gerechtsofficieren is dit ook mogelijk. Trapsgewijze vertegenwoordiging is niet nodig.

Artikel 550, § 6, bevat een quasi-identieke bepaling als artikel 548. Dit moet het euvel van de niet-betaling van de beroepsbijdragen indijken. Ook in het notarisstatuut bestaat een gelijkaardige bepaling.

Artikel 3

Met het oog op een effectieve toepassing van artikel 866 Gerechtelijk Wetboek (nodeloze kosten veroorzaakt door een ministerieel ambtenaar) is in artikel 533 bepaald dat de tuchtcommissie een dossier kan doorspelen aan de bevoegde beslagrechter. Om dit mogelijk te maken moet de behandeling van die zaken op de algemene rol kunnen ingeschreven worden zonder het betalen van een rolrecht. Zoniet blijven de artikelen 533 en 866 Gerechtelijk Wetboek dode letter.

Hugo VANDENBERGHE
Tony VAN PARYS
Pol VAN DEN DRIESSCHE.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, met uitzondering van artikel 3 dat een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Boek IV van het tweede deel van het Gerechtelijk Wetboek, bestaande uit de artikelen 509 tot 555quater, wordt in zijn geheel opgeheven en vervangen door de volgende bepalingen :

« BOEK IV

GERECHTSOFFICIEREN

HOOFDSTUK I

Titel, status, benoeming, eed en vestiging

Artikel 509

Gerechtsofficieren zijn openbare ambtenaren en ministeriële officieren in de uitoefening van hun ambtelijke taken die krachtens een wet, decreet, ordonnantie of koninklijk besluit, al dan niet bij uitsluiting van ieder ander, aan hen zijn opgedragen of voorbehouden.

Zij verlenen authenticiteit aan hun akten conform artikel 1317 van het Burgerlijk Wetboek.

In elk gerechtelijk arrondissement zijn gerechtsofficieren. Zij worden door de Koning voor het leven benoemd uit de kandidaten voorgedragen overeenkomstig de regels bepaald in artikel 512.

Artikel 510

§ 1. Om tot gerechtsofficier benoemd te kunnen worden moet men :

1º vijfentwintig jaar oud zijn;

2º houder zijn van het diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten of van het getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeurwaarder, voorzover men voldoet aan de voorwaarden opgelegd in het oud artikel 555quater op het ogenblik van inwerkingtreding van deze bepaling;

3º een getuigschrift kunnen voorleggen van goed zedelijk gedrag, minder dan zes maanden oud;

4º aan de eisen van de dienstplichtwetten voldaan hebben.

5º Belg zijn.

§ 2. In één of meer kantoren van een gerechtsofficier een effectieve gehomologeerde stage hebben gedaan van drie volle jaren zonder onderbreking. De stagemeester is een gerechtsofficier die zelf reeds minstens drie volle jaren het ambt uitoefent, en die geen hogere tuchtstraffen heeft opgelopen.

Voor een maximale duur van één jaar mag de stage ook worden gedaan :

1º in één of meer kantoren van een gerechtsofficier in het buitenland, voorzover het ambt in het betrokken land een quasi-identiek statuut heeft als in België en het betrokken land als dusdanig door de Koning is erkend;

2º op de griffie van de hoven van beroep of van een burgerlijke rechtbank;

3º als assistent of docent aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit;

4º bij de balie;

5º in een notariskantoor.

§ 3. Een gerechtsofficier die eervol ontslag genomen heeft, mag de titel voeren van ere-gerechtsofficier, indien die hem werd verleend. Een gerechtsofficier die ontslag heeft genomen kan opnieuw kandideren voor een vacante plaats en plaatsvervangingen vervullen.

Artikel 511

§ 1. De Koning bepaalt de wijze waarop de stage wordt georganiseerd, alsmede de samenstelling en de werking van de commissie die met de homologatie van de stage belast is.

§ 2. De stage kan pas ingaan nadat de betrokkene het in artikel 510, § 1, 2º, vereiste diploma heeft behaald.

§ 3. Geldt niet als onderbreking maar slechts als schorsing van de stage :

1º een jaarlijkse vakantie van maximum dertig kalenderdagen;

2º afwezigheden ingevolge ziekte gestaafd door een medisch getuigschrift, welke maximum zes maanden van de stageperiode in beslag mogen nemen;

3º zwangerschapsverlof;

4º de militaire dienst of vervangende burgerdienst;

5º door de homologatiecommissie aanvaarde omstandigheden van overmacht.

Die omstandigheden, alsmede de periodes van schorsing, worden nauwkeurig vermeld in het stage- en praktijkboekje.

§ 4. De duur van de stage moet blijken uit het stage- en praktijkboekje, waarin de stagemeester maandelijks de effectieve aanwezigheid of het verzuim van de stagiair gedurende de voorbije maand vermeldt.

Artikel 512

§ 1. De kandidaat voor een ambt van gerechtsofficier richt zijn aanvraag bij een ter post aangetekende brief tot de minister van Justitie en zendt aangetekend een afschrift ervan naar de benoemingscommissie. Hij zendt aangetekend een afschrift van zijn aanvraag, samen met zijn dossier, bevattende de documenten die staven dat hij voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 510, naar de syndicus-voorzitter van de raad van de arrondissementskamer waar hij solliciteert.

De voormelde kandidaturen moeten op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van 30 dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.

De bekendmaking kan op zijn vroegst geschieden twaalf maanden vóór het ontstaan van de vacature.

§ 2. Er is een Nederlandstalige en een Franstalige benoemingscommissie.

De Nederlandstalige benoemingscommissie is bevoegd voor het verstrekken van adviezen voor de benoeming tot gerechtsofficier in het Vlaamse Gewest.

De Franstalige benoemingscommissie is bevoegd voor het verstrekken van adviezen voor de benoeming tot gerechtsofficier in het Waalse Gewest.

De verenigde benoemingscommissies zijn bevoegd voor het verstrekken van adviezen voor de benoeming tot gerechtsofficier in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

§ 3. Beide benoemingscommissies zijn als volgt samengesteld :

1º een raadsheer in het Hof van Cassatie of in het hof van beroep of het arbeidshof;

2º drie gerechtsofficieren uit minstens twee verschillende gerechtelijke arrondissementen;

3º een hoogleraar of docent aan een Belgische faculteit voor rechtsgeleerdheid;

4º twee externe leden met een voor de opdracht relevante beroepservaring.

§ 4. De minister van Justitie benoemt de leden van de benoemingscommissies.

De leden-gerechtsofficieren worden benoemd op voordracht van de Nederlandstalige Regionale Kamer van gerechtsofficieren en de Franstalige Regionale Kamer van gerechtsofficieren.

Voor elk lid wordt een plaatsvervanger aangewezen die aan dezelfde voorwaarden voldoet.

Een mandaat in een benoemingscommissie is onverenigbaar met een politiek mandaat.

De leden van een benoemingscommissie hebben zitting voor een termijn van vier jaar; een uittredend lid is herkiesbaar. Een effectief lid dat in de onmogelijkheid verkeert zijn mandaat verder uit te oefenen wordt van rechtswege opgevolgd door zijn plaatsvervanger, die het mandaat uitdient. De voorzitter verzoekt om de aanwijzing van een nieuwe plaatsvervanger die het mandaat uitdient van het plaatsvervangend lid.

§ 5. Elke benoemingscommissie kiest uit haar effectieve leden, bij gewone meerderheid, een voorzitter, ondervoorzitter en een secretaris.

Het voorzitterschap van de verenigde benoemingscommissies wordt beurtelings bekleed voor een termijn van twee jaar door de respectieve voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige benoemingscommissie. Het eerste voorzitterschap wordt toevertrouwd aan de oudste van beiden.

§ 6. Om geldig te beraadslagen en beslissen moeten alle leden van de benoemingscommissie aanwezig zijn. Ingeval van afwezigheid of verhindering van een effectief lid, treedt zijn plaatsvervanger op.

De beslissingen worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van de benoemingscommissie of van de ondervoorzitter die hem vervangt doorslaggevend.

§ 7. Het is de leden van een benoemingscommissie verboden deel te nemen aan een beraadslaging of een beslissing waarbij zij een persoonlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben.

§ 8. De regels voor de werking van de benoemingscommissies en het presentiegeld van de leden worden bepaald door de Koning. De benoemingscommissies stellen een huishoudelijk reglement op. De benoemingscommissies hanteren een lijst van uniforme evaluatiecriteria. Beide worden door de Koning goedgekeurd.

§ 9. Onmiddellijk na ontvangst van het afschrift van de aanvraag met het dossier, bedoeld in § 1, verzoekt de syndicus-voorzitter van de raad van de arrondissementskamer de procureur-generaal en de procureur des Konings om een met redenen omkleed advies over de verdiensten en bekwaamheid van de kandidaten.

§ 10. Binnen een termijn van 40 dagen na het verloop van de termijn vermeld in § 1, zendt de syndicus van de raad van de arrondissementskamer het dossier van de kandidaat met het advies van de raad aan de benoemingscommissie. Binnen dezelfde termijn zenden de procureur-generaal en de procureur des Konings hun advies aan de benoemingscommissie.

§ 11. De kandidaat wordt in kennis gesteld van de adviezen van de procureur-generaal, de procureur des Konings en de raad. Hij beschikt over een termijn van 10 dagen om zijn opmerkingen aan voornoemde instanties voor te leggen en te vragen gehoord te worden, in voorkomend geval bijgestaan door een raadsman van zijn keuze. Maakt de betrokkene gebruik van deze mogelijkheid, dan wordt de termijn, bepaald in § 10, verlengd met 30 dagen.

In het definitieve advies wordt melding gemaakt van de opmerkingen van de kandidaat en het antwoord van het adviserend orgaan.

§ 12. De benoemingscommissie maakt een lijst op waarin ze de drie meest geschikte kandidaten rangschikt. Indien de benoemingscommissie advies moet uitbrengen over minder dan drie kandidaten, wordt de lijst beperkt tot de enige kandidaat of de enige twee kandidaten.

De rangschikking gebeurt op grond van de criteria vermeld in het door de Koning goedgekeurd huishoudelijk reglement en de lijst van uniforme evaluatiecriteria, bepaald in § 8.

De benoemingscommissie kan de kandidaten horen.

Van de rangschikking wordt een gemotiveerd proces-verbaal opgemaakt, dat door de voltallige benoemingscommissie wordt ondertekend. Indien een kandidaat met eenparigheid van stemmen als eerste wordt gerangschikt, wordt daarvan melding gemaakt.

Binnen 60 dagen na ontvangst van de dossiers die de syndicus van de arrondissementskamer haar heeft toegestuurd, en van de definitieve adviezen van de procureur-generaal en de procureur des Konings, zendt de voorzitter van de benoemingscommissie het proces-verbaal met de lijst van de gerangschikte kandidaten toe aan de minister van Justitie.

§ 13. Nadat de minister van Justitie de definitieve adviezen en het proces-verbaal met de door de benoemingscommissie opgestelde lijst heeft ontvangen, draagt hij één van de erin vermelde kandidaten ter benoeming voor aan de Koning.

Artikel 513

Het koninklijk besluit tot benoeming bepaalt in welk gerechtelijk arrondissement de gerechtsofficier zijn ambt zal uitoefenen en kantoor moet houden.

De gerechtsofficier mag slechts één kantoor hebben, dat gevestigd wordt in de gemeente die de minister van Justitie aanwijst. Deze aanwijzing kan steeds worden gewijzigd op verzoek van de betrokkene.

De gerechtsofficier mag zijn ambtelijke taken slechts uitoefenen in het gerechtelijk arrondissement dat bij het koninklijk besluit tot benoeming is bepaald.

De gerechtsofficieren met kantoor in de gerechtelijke arrondissementen Antwerpen, Brugge en Veurne zijn bevoegd om hun ambt uit te oefenen in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1 van de wet van 6 oktober 1987 tot vaststelling van de breedte van de territoriale zee van België, evenals in de exclusieve economische zone, bedoeld in artikel 2 van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee.

De gerechtsofficieren met kantoor in de gerechtelijke arrondissementen Eupen en Verviers zijn bevoegd om hun ambt in die twee arrondissementen uit te oefenen.

Artikel 514

§ 1. De gerechtsofficier meldt zich binnen een maand nadat hij in kennis is gesteld van het besluit van zijn benoeming ter openbare terechtzitting aan bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waar hij zijn ambt zal uitoefenen; hij legt er de eed af van trouw aan de Koning en van gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk, alsmede die zich te zullen schikken naar de wetten en verordeningen van zijn ambt en zijn functies stipt en nauwgezet uit te oefenen.

§ 2. Onmiddellijk na zijn eedaflegging deponeert de gerechtsofficier zijn handtekening en paraaf ter griffie.

§ 3. De gerechtsofficier kan geen enkele ambtsdaad stellen vooraleer voldaan is aan de bepalingen van §§ 1 en 2.

Artikel 515

De Koning bepaalt het aantal gerechtsofficieren per gerechtelijk arrondissement, nadat advies is ingewonnen van de procureur-generaal bij het hof van beroep, van de procureur des Konings en van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsofficieren.

In het door de Koning bepaalde aantal gerechtsofficieren zijn zij die de ouderdom van 70 jaar hebben overschreden niet inbegrepen.

Zijn er meer gerechtsofficieren in functie dan het getal dat door de Koning is bepaald, geschiedt de vermindering tot laatstbedoeld getal slechts bij overlijden, ontslag of afzetting.

HOOFDSTUK II

Taken en bevoegdheden van de gerechtsofficier

Artikel 516

§ 1. Gerechtsofficieren hebben monopolietaken waarvoor zij alleen bevoegd zijn en waarvoor zij ministerieplicht hebben.

Deze taken zijn :

— het opstellen en betekenen van alle exploten en de tenuitvoerlegging van alle gerechtelijke beslissingen, akten of titels in uitvoerbare vorm;

— vaststellingen opgelegd door magistraten met betrekking tot zuiver materiële feiten, zonder enig advies uit te brengen omtrent de oorzaken, gevolgen in feite of in rechte die daaruit zouden kunnen voortvloeien, evenals de vaststellingen die tot de wettelijke uitoefeningen van hun ambt behoren;

— het protesteren van een wisselbrief, orderbrief en bankcheque;

— gerechtelijke openbare verkoping van roerende goederen en schepen in het kader van de gedwongen tenuitvoerlegging;

— gerechtelijke verkoping in der minne van roerende goederen, overeenkomstig artikel 1526bis;

— vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken, welk monopolie zij delen met de notarissen;

— toezicht houden op toegelaten loterijen en wedstrijden.

§ 2. Gerechtsofficieren hebben residuaire bevoegdheden waarvoor zij geen monopolie en geen ministerieplicht hebben, onder meer :

— vaststellingen op verzoek van particulieren met betrekking tot zuiver materiële feiten, zonder enig advies uit te brengen omtrent de oorzaken, gevolgen in feite of in rechte die daaruit zouden kunnen voortvloeien; deze vaststellingen zijn authentiek wat betreft de materiële feiten en gegevens die de gerechtsofficier zintuiglijk kan waarnemen;

— ter griffie de uitgiften, afschriften en uittreksels van alle processtukken lichten en de verzoekschriften indienen die zij krachtens de wet kunnen ondertekenen, evenals het neerleggen ter griffie van alle andere verzoekschriften;

— voor eensluidend tekenen van afschriften en vertalingen van documenten in hun bezit;

— uittreksels opstellen van alle akten van hun ambt;

— aanstellingen tot sekwester;

— minnelijke inning van schuldvorderingen;

— aanstellingen tot pandverzilveraar;

— schattingen van meubelen en roerende goederen en assistentie verlenen aan faillissementscuratoren met betrekking tot inventarisatie en realisatie van de faillissementsboedel;

— minnelijke schuldbemiddeling en schuldbemiddeling in het kader van de collectieve schuldenregeling;

— bemiddeling in familiezaken en mediatie in het kader van alternatieve geschillenbeslechting;

— aanstellingen tot curator over onbeheerde nalatenschappen;

— rechtskundige adviezen met betrekking tot de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit de rechtshandelingen waarbij gerechtsofficieren betrokken zijn;

— het voeren van solvabiliteitsonderzoeken, opstellen en afleveren van vermogensrapporten;

— fiscale attesten afleveren met betrekking tot oninbare schuldvorderingen.

Artikel 517

§ 1. Gerechtsofficieren zijn verplicht hun ambt met betrekking tot de monopolietaken bepaald in artikel 516 uit te oefenen telkens zij erom verzocht worden en voor ieder die erom verzoekt, tenzij :

— er wettelijke beletsels bestaan;

— met het oog op zijn persoonlijke omstandigheden dit redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd;

— de verzoeker niet bereid is het gevraagde voorschot voor het verrichten van de ambtshandeling te voldoen, de termijnen verstreken zijn of de rechtshandeling redelijkerwijs beoordeeld niet meer binnen de termijn kan gesteld worden of het dossier onvolledig is.

§ 2. Gerechtsofficieren mogen wat al hun taken betreft niet optreden voor of tegen zichzelf, hun echtgenoot of de partner met wie zij wettelijk samenwonen of een duurzame relatie onderhouden noch voor of tegen hun bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of die van hun echtgenoot of partner met zij wettelijk samenwonen of een duurzame relatie onderhouden, noch voor hun bloed- of aanverwanten in de zijlijn tot in de vierde graad of die van hun echtgenoot of partner met wie zij wettelijk samenwonen of een duurzame relatie onderhouden.

§ 3. Gerechtsofficieren mogen wat al hun taken betreft niet optreden voor of tegen een rechtspersoon waarvan zij weten of hadden behoren te weten dat de personen bedoeld in § 2 daarin een meerderheid van de aandelen bezitten of de functie vervullen van zaakvoerder, dagelijks bestuurder of voorzitter van de raad van bestuur.

§ 4. Ambtshandelingen verricht in strijd met § 2 zijn nietig; ambtshandelingen verricht in strijd met § 3 zijn vernietigbaar.

HOOFDSTUK III

Onverenigbaarheden

Artikel 518

Het is elke gerechtsofficier verboden om zelf of door een tussenpersoon enig ander beroep uit te oefenen, met uitzondering van onderwijs- of onderzoeksopdrachten als assistent, docent, hoogleraar of auteur.

De procureur-generaal bij het hof van beroep kan, in bijzondere gevallen, na het advies van de procureur des Konings en van de raad van de arrondissementskamer te hebben ingewonnen, de gerechtsofficier toestaan bestuurder van een handelsvennootschap te zijn, evenwel zonder dat hij zaakvoerder, dagelijks bestuurder of vereffenaar mag zijn.

HOOFDSTUK IV

Tarief, boekhouding, derdengelden en kwaliteitsrekening

Artikel 519

§ 1. De Koning stelt het tarief vast van alle akten en ambtelijke taken van de gerechtsofficieren. Voor de niet door de Koning vastgestelde tarieven kunnen de regionale kamers een minimumtarief opleggen.

Op het origineel en elk afschrift van hun akten moeten de gerechtsofficieren de aangerekende vergoedingen vermelden, met een detail van alle posten van de totale vergoeding.

§ 2. De gerechtsofficieren zijn verplicht een boekhouding te houden waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld.

Ingeval gerechtsofficieren hun beroep in associatie uitoefenen, al dan niet onder vennootschapsvorm, wordt één enkele boekhouding gevoerd.

§ 3. De gerechtsofficieren zijn verplicht gelden die zij voor rekening van een ander ontvangen binnen de maand af te dragen, onverminderd de bepalingen van artikel 1627 en volgende.

Deze termijn kan door de opdrachtgever verlengd worden.

Indien een schuld na beslag onder derden wordt afgelost met periodieke betalingen is, met uitzondering van onderhoudsgelden, het vorige lid niet toepasselijk indien het totaal van de ontvangsten 1 250 euro niet te boven gaat. Zodra de ontvangsten het bedrag van 1 250 euro bereiken dienen de gelden binnen de maand afgedragen te worden, onverminderd de bepalingen van artikel 1627 en volgende.

§ 4. De gerechtsofficieren zijn verplicht op hun naam met vermelding van hun hoedanigheid een kwaliteitsrekening te openen die uitsluitend bestemd is voor gelden die ze in de uitoefening van hun beroep innen ten behoeve van derden.

Ingeval gerechtsofficieren hun beroep in associatie uitoefenen, al dan niet onder vennootschapsvorm, volstaat één enkele kwaliteitsrekening.

Uitsluitend de gerechtsofficieren zijn bevoegd tot het beheer en de beschikking over de kwaliteitsrekening, behoudens in het geval waarbij een waarnemend gerechtsofficier is aangesteld.

Het vorderingsrecht voortvloeiende uit de kwaliteitsrekening behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden. Het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de kwaliteitsrekening is gestort.

HOOFDSTUK V

Voortzetting, overdracht van dossiers en andere bestanddelen van het kantoor van een gerechtsofficier

Artikel 520

Indien een gerechtsofficier overlijdt, wordt afgezet of ontslag neemt met onmiddellijke ingang, of een schorsing tegen hem is uitgesproken, stelt de territoriaal bevoegde procureur des Konings, in overleg met de syndicus en uiterlijk binnen de tien dagen na het overlijden, afzetting, schorsing of ontslag, een kandidaat-gerechtsofficier, ere-gerechtsofficier of titularis-gerechtsofficier aan tot waarnemend gerechtsofficier.

Deze waarnemend gerechtsofficier vervult de nodige ambtshandelingen in functie van de continuïteit van het kantoor, houdt de repertoria bij, en neemt alle functies waar van de vervangen gerechtsofficier voor de duur van de schorsing of in voorkomend geval tot de eedaflegging van de nieuw benoemde gerechtsofficier, en dit onder toezicht en leiding van de syndicus.

Artikel 521

Een waarnemend gerechtsofficier heeft dezelfde rechten en verplichtingen als een titularis-gerechtsofficier.

Bij elke professionele handeling vermeldt de waarnemend gerechtsofficier zijn hoedanigheid en de identiteit en plaats van vestiging van de gerechtsofficier waarvoor hij waarneemt.

Artikel 522

De gerechtsofficier die benoemd wordt in opvolging van een overleden, afgezet of ontslagnemend gerechtsofficier neemt van rechtswege die verplichtingen over van de gerechtsofficier die hij opvolgt, voorzover die verplichtingen er zijn of behouden blijven, welke verband houden met de arbeidsovereenkomsten en lopende huur-, leverings-, renting- en leasingcontracten.

De opvolger heeft het recht om de kantoorinfrastructuur, zoals de lichamelijke roerende goederen, software, hardware, ICT en bibliotheek over te nemen tegen boekwaarde. Dit kan hem niet geweigerd worden; hij is daartoe niet verplicht. Fiscale schulden zijn steeds uitgesloten.

In voorkomend geval neemt de opvolger de kwaliteitsrekeningen over van de gerechtsofficier die hij opvolgt.

Artikel 523

In voorkomend geval worden, ter uitvoering van artikel 522, de minuten, repertoria, grossen, bewaargevingen, uitvoeringsdossiers en alle lopende opdrachten door de vervangen gerechtsofficier of zijn erfgenamen binnen de tien dagen overgedragen aan de in opvolging benoemde gerechtsofficier.

De in opvolging benoemde gerechtsofficier is van rechtswege belast met de gerechtelijke opdrachten waartoe zijn voorganger bij rechterlijke beslissing werd aangesteld, onverminderd de bevoegdheid van de rechtbank om, op verzoek van een betrokken partij of de procureur des Konings, een andere gerechtsofficier aan te stellen.

HOOFDSTUK V

Plaatsvervanging

Artikel 524

De gerechtsofficier die vakantie neemt of verhinderd is zijn ambt uit te oefenen moet zich laten vervangen door een confrater of een plaatsvervangend gerechtsofficier.

Artikel 525

De plaatsvervangende gerechtsofficier wordt door de procureur des Konings benoemd. Hij dient de in artikel 510 bepaalde benoemingsvoorwaarden te vervullen en mag zijn ambt slechts uitoefenen na de in artikel 514 bepaalde voorwaarden te hebben vervuld.

Zolang hij plaatsvervanger is, heeft hij dezelfde rechten en prerogatieven, heeft hij dezelfde bevoegdheden en verplichtingen en is hij aan dezelfde tucht onderworpen als de gerechtsofficier die hij vervangt.

Artikel 526

De aanvraag om vervanging door een kandidaat-gerechtsofficier of ere-gerechtsofficier wordt aan de procureur des Konings gericht door tussenkomst van de syndicus van de arrondissementskamer.

De gerechtsofficier voegt bij zijn aanvraag :

1º de verklaring van de plaatsvervangende gerechtsofficier, dat hij aanvaardt hem te vervangen;

2º de documenten waaruit blijkt dat de kandidaat-plaatsvervanger aan de in artikel 510 gestelde benoemingsvoorwaarden voldoet.

Indien de gerechtsofficier nalaat of niet bij machte is de aanvraag om vervanging door een plaatsvervangend gerechtsofficier te doen of indien de procureur des Konings weigert de vervanging toe te staan, dan wordt het verzoek door de syndicus gedaan aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die beslist op conclusie van het openbaar ministerie, de gerechtsofficier en zijn syndicus gehoord of opgeroepen.

Artikel 527

In de beslissing wordt de duur van de plaatsvervanging vastgesteld. Deze beslissing kan te allen tijde ingetrokken worden, hetzij op verzoek van de vervangen gerechtsofficier, hetzij van ambtswege.

De duur van de plaatsvervanging kan worden verlengd door de procureur des Konings of, naargelang het geval, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

Artikel 528

Op straffe van tuchtmaatregelen is



Terug naar het overzicht
SCHRIJF IN OP ONZE
E-BRIEF!
Uw e-mailadres: