Wouter Beke
Dirk Claes
Sabine De Bethune
Jan Durnez
Cindy Franssen
Nahima Lanjri
Els Schelfhout
Elke Tindemans
Hugo Vandenberghe
Pol Van Den Driessche
Els Van Hoof
Tony Van Parys
Wetsvoorstel
Hugo Vandenberghe - Tony Van Parys - Pol Van Den Driessche

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding (4-764)
(22-05-2008)

Ingediend door de heer Hugo Vandenberghe c.s.
 


Samenvatting: "Bij wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding werd een zelfstandig instituut opgericht dat tot doel heeft de beroepsopleiding te organiseren voor de verscheidene personen die werkzaam zijn binnen de rechterlijke organisatie. Deze wet is reeds in werking getreden op 2 februari 2008, maar het Instituut is nog niet operationeel. Dat zal nog enkele maanden duren. Daarom wordt voorzien in een aantal technische aanpassingen en overgangsbepalingen."

--------------------------------------------------------------------------------

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Bij wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding werd een zelfstandig instituut opgericht dat tot doel heeft de beroepsopleiding te organiseren voor de verscheidene personen die werkzaam zijn binnen de rechterlijke organisatie. Daarmee worden bedoeld : de beroepsmagistraten van de rechterlijke orde, de plaatsvervangende magistraten, de raadsheren en rechters in sociale zaken, de rechters in handelszaken en de assessoren in strafuitvoeringszaken, de gerechtelijke stagiairs, de referendarissen, de parketjuristen, de attachés in de Dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, de leden van de griffies, de leden van de parketsecretariaten, de personeelsleden van de griffies en van de parketsecretariaten, de personeelsleden die een bijzondere graad bekleden ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 180, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 2 van de wet van 31 januari 2007).

Artikel 3 van de wet omschrijft zeer duidelijk wat dient te worden verstaan onder gerechtelijke opleiding, met name de initiële opleiding tijdens de stage en de indiensttreding, de permanente opleiding tijdens de duur van de loopbaan en de loopbaanbegeleiding ter voorbereiding van een toekomstige ambtsuitoefening.

Het is dus duidelijk dat hier geenszins het onderwijs wordt bedoeld dat door de onderwijsinstellingen in ons land wordt verstrekt met het oog op de verwerving van een diploma.

Het kan ook niet de bedoeling zijn dat het Instituut voor gerechtelijke opleiding zich in de plaats stelt van de onderwijsinstellingen die afhangen of erkend zijn door de Gemeenschappen. Integendeel moet het de intentie zijn van het Instituut om maximaal samen te werken met deze instellingen en met hen maximaal een aantal opleidingen te organiseren. Immers sedert enkele jaren hebben tal van onderwijsinstellingen inspanningen geleverd op het vlak van beroepsopleidingen en bijzondere programma's opgezet gericht op beroepsbeoefenaars binnen de rechterlijke organisatie. Het zou ongepast zijn deze kennis, expertise en ervaring niet te benutten.

Met de voorgestelde wetswijziging wordt de osmose en samenwerking bewerkstelligd met de onderwijsinstellingen in ons land die afhangen of erkend zijn door de Gemeenschappen. Dit gebeurt onder meer door te voorzien in de aanwezigheid van vertegenwoordigers van de onderwijsdepartementen in de Raad van Bestuur en door een versterking van de vertegenwoordigers uit de academische wereld in het wetenschappelijk comité.

Verder wordt voorgesteld dat het Instituut voor drie-kwart van zijn eigen programma's een beroep doet op de medewerking van de bedoelde onderwijsinstellingen. Op gemotiveerd voorstel van de directeur kan de raad van bestuur hiervan afwijken, zonder echter lager te mogen gaan dan een bepaalde drempel, al naargelang het type van opleiding. Ook voor tussenkomsten in externe programma's is het aangewezen dat maximaal een beroep wordt gedaan op het aanbod van deze onderwijsinstellingen. Een gelijkaardige verhouding wordt voorgesteld, met inbegrip van de mogelijkheid om er op gemotiveerde wijze te kunnen van afwijken.

De wet van 31 januari 2007 is reeds in werking getreden op 2 februari 2008. Nochtans is het Instituut nog niet operationeel. De evaluatiecommissie voor de stage en het wetenschappelijk comité konden niet worden samengesteld wegens onvoldoende kandidaten. Een aantal directiefuncties konden evenmin worden ingevuld en het mangelt nog aan personeelsondersteuning. De langdurige periode gedurende welke geen uitvoeringsbesluiten konden worden genomen heeft eveneens voor vertraging gezorgd.

Het zal nog enkele maanden in beslag nemen vooraleer het Instituut daadwerkelijk operationeel zal zijn. Daarom wordt voorzien in een aantal technische aanpassingen en overgangsbepalingen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 1

Dit artikel bepaalt de grondwettelijke basis van dit wetsvoorstel.

Artikel 2

Om alle twijfel over de omvang van het activiteitsdomein van het Instituut weg te nemen, wordt in artikel 7 nogmaals herhaald dat het Instituut uitsluitend bevoegd is voor de personen opgesomd in artikel 2 van de wet : alleen mensen actief binnen de hoven en rechtbanken.

Artikel 3

De Raad van Bestuur wordt uitgebreid van 12 naar 16 leden, door toevoeging van de leidende ambtenaren van de onderwijsdepartementen van de Gemeenschappen (3), van de voorzitter van de Commissie Modernisering Rechterlijke Orde en een afgevaardigde van de minister van Justitie (2) (wat tot doel heeft de integratie binnen de geledingen van Justitie te onderstrepen).

Om het aantal leden niet te talrijk te maken en om een evenwicht te bewaren tussen magistraten en niet-magistraten, wordt de aanwezigheid van de directeur-generaal Rechterlijke Organisatie van de federale overheidsdienst Justitie geschrapt. De Dienst Opleiding Rechterlijke Orde binnen dit Directoraat-generaal zal immers overgaan naar het Instituut.

In de Nederlandse tekst wordt verder een taalkundige verbetering doorgevoerd.

Artikel 4

Dit artikel wijzigt het bepaalde in artikel 13 om te voorzien in de mogelijkheid tot samenwerking met de onderwijsinstellingen die afhangen van de Gemeenschappen.

Verder wordt gesteld dat het Instituut voor drie-kwart van het totaal jaaraanbod zijn lesuren voor haar eigen interne programma's een beroep doet op de medewerking van de bedoelde onderwijsinstellingen. Daarnaast blijft het dus steeds mogelijk een andere expertise in te zetten die extern wordt aangetrokken. Het zou kunnen dat om een of andere reden gedurende een bepaald jaar niet in dezelfde of onvoldoende mate kan worden samengewerkt met de onderwijsinstellingen. Daarom wordt erin voorzien dat op gemotiveerd voorstel van de directeur de Raad van Bestuur kan afwijken van de 3/4e norm, zonder echter lager te mogen gaan dan 2/3e voor de opleidingen bedoeld voor de magistraten, gerechtelijk stagiairs, parketjuristen, referendarissen en attachés.

Voor leden en de personeelsleden van de griffies en de parketsecretariaten wordt de afwijking toegestaan tot de helft van het aantal lesuren. Immers voor deze groep zijn de opleidingsmogelijkheden die momenteel via de klassieke onderwijsinstellingen worden aangeboden, eerder beperkt.

Ook voor het goedkeuren en ten laste nemen van inschrijvingsgelden van externe programma's is het aangewezen dat maximaal een beroep wordt gedaan op het aanbod van deze onderwijsinstellingen. Een gelijkaardige verhouding wordt voorgesteld met inbegrip van de mogelijkheid om er op gemotiveerde wijze te kunnen van afwijken (4/5e naar 2/3e)

Artikel 5

De osmose met de onderwijsinstellingen wordt eveneens versterkt door het aantal afgevaardigden van de academische wereld in het wetenschappelijk comité te verhogen met vier eenheden.

Artikel 6

Artikel 6 — dat artikel 48 van de wet van 31 januari 2007 wijzigt — bepaalt dat de oude stageprocedure nog kan gelden voor alle stagiairs wier stage eindigt in de loop van 2008.

Artikel 7

Dit artikel verlengt de termijn van één jaar naar twee jaar voor die magistraten welke in 2007 en 2008 zijn benoemd of nog zullen worden benoemd, om een bepaalde opleiding bij het Instituut te volgen. De nieuwe wet van 2007 stelt immers dat magistraten, laureaten van het examen beroepsbekwaamheid of van het mondeling evaluatie-examen, voortaan een bijzondere opleiding moeten volgen. Deze programma's zijn nog niet beschikbaar zodat het aangewezen is de termijn te verlengen.

Artikel 8

Het artikel 8 voorziet in een overgangsperiode voor de taken die de adjunct-directeur (magistratuur) moet vervullen en dit gedurende de tijd van het ontbreken van een titularis. Bijzonder voor de opdrachten binnen de evaluatiecommissie voor de stage is dit dringend. Daarom wordt erin voorzien dat zijn taken kunnen worden opgenomen door de directeur van het Instituut of een ambtenaar aangesteld door de minister van Justite.

Artikel 9

Voor het goede verloop van de procedures met betrekking tot de magistraten en de gerechtelijke stagiairs wordt voorzien dat de taken die normaliter aan het Instituut zijn toegewezen, kunnen worden uitgeoefend door de minister van Justitie en dit zolang het Instituut niet operationeel is.

De Koning kan voor elk van de taken vaststellen dat het Instituut die kan opnemen. In elk geval moet het zo zijn dat per 1 januari 2009 dit het geval is.

Artikel 10

Gelet op de continuïteit en met het oog op de rechtszekerheid is vereist dat deze bepalingen uitwerking hebben met ingang van 2 februari 2008.

Hugo VANDENBERGHE
Marie-Hélène CROMBÉ-BERTON
Patrik VANKRUNKELSVEN
Philippe MAHOUX
Francis DELPÉRÉE
Tony VAN PARYS
Martine TAELMAN
Pol VAN DEN DRIESSCHE.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 7, tweede lid, van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding, wordt tussen het woord « is » en het woord « belast » het woord « uitsluitend » ingevoegd.

Art. 3

In artikel 11 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord « twaalf, » vervangen door het woord « zestien »;

2º in paragraaf 1, tweede lid, wordt bepaalde onder het 2º opgeheven;

3º in paragraaf 1, tweede lid, 3º, worden de woorden « indien deze laatste van de gelijke taalrol is als het lid bedoeld in 2º » vervangen door de woorden « indien deze laatste van de Franse taalrol is, »;

4º paragraaf 1, tweede lid, wordt aangevuld de bepaling onder 4º, luidende :

« 4º de leidende ambtenaren van de onderwijsdepartementen van respectievelijk de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap, waarbij deze laatste valt onder het Franse taalstelsel. »;

5º in paragraaf 1, derde lid, worden in de Nederlandstalige tekst de woorden « en zijn » geschrapt;

6º paragraaf 1, derde lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder 3º en 4º, luidende :

« 3º een afgevaardigde van de minister van Justitie;

4º de voorzitter van de Commissie voor de Modernisering van de Rechterlijke Orde of indien die van gelijke taalrol is als het lid bedoeld in 3º, de ondervoorzitter. ».

Art. 4

In artikel 13 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het enig lid, waarvan de tegenwoordige tekst het eerste lid zal vormen, wordt het bepaalde onder 6º vervangen als volgt :

« 6º de afsluiting van wederzijdse overeenkomsten en samenwerkingsprotocollen met instellingen, organisaties of verenigingen, in het bijzonder met :

a) het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid;

b) de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap;

c) de onderwijsinstellingen die afhangen van of erkend zijn door de voormelde Gemeenschappen;

d) de internationale organisaties die de beroepsopleiding tot doel hebben. »

2º een tweede en een derde lid worden toegevoegd, luidende :

« Voor de uitvoering van de programma's bedoeld in artikel 8 die het Instituut zelf aanbiedt wordt voor drie vierde van het totaal jaaraanbod lesuren een beroep gedaan op onderwijsinstellingen die afhangen van of erkend zijn door de Gemeenschappen. Volgens de noodwendingen kan de raad van bestuur, op gemotiveerd voorstel van de directeur, beslissen de verhouding aan te passen, zonder dat die lager mag zijn dan twee derde, wanneer het opleidingen betreft voor de personen opgesomd in artikel 2, 1º tot 6º, en dan de helft wanneer het opleidingen betreft voor de personen opgesomd artikel 2, 7º tot 10º.

Ten minste drie vierde van het totale bedrag dat het Instituut jaarlijks besteedt aan de betaling van inschrijvingsgelden ten voordele van de personen opgesomd in artikel 2, 1º tot 6º, wordt voorbehouden aan programma's aangeboden door de voormelde onderwijsinstellingen. Volgens de noodwendingen kan de raad van bestuur, op gemotiveerd voorstel van de directeur, beslissen de verhouding aan te passen, zonder dat deze lager mag zijn dan twee derde. ».

Art. 5

In artikel 27 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid worden tussen het woord « leden, » en het woord « gelijk » de woorden « met uitzondering van de directeur » ingevoegd;

2º in het eerste lid wordt het woord « zeventien » vervangen door het woord « eenentwintig »;

3º in het tweede lid, 5º, worden de woorden « vier », « twee » en « twee » respectievelijk vervangen door de woorden « acht », « vier » en « vier ».

Art. 6

In artikel 48 van dezelfde wet worden de woorden « binnen de vier maanden na de inwerkingtreding van deze artikelen » vervangen door de woorden « in de loop van het jaar 2008. ».

Art. 7

Voor de magistraten die in de loop van 2007 en van 2008 benoemd zijn op grond van het examen beroepsbekwaamheid of het mondeling evaluatie-examen, of tot stagemeester zijn aangewezen, wordt de termijn voor het volgen van de vereiste opleiding bij het Instituut voor gerechtelijke opleiding, van één jaar gebracht op twee jaar.

Art. 8

Totdat de adjunct-directeur van het Instituut voor gerechtelijke opleiding bedoeld in de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van een Instituut voor gerechtelijke opleiding is benoemd of wanneer zijn ambt is opengevallen, worden de bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 42 en 43 van de voormelde wet uitgeoefend door de directeur van het Instituut of door de persoon door hem aangewezen of bij ontbreken van deze laatste, door een ambtenaar van de federale overheidsdienst Justitie daartoe aangesteld door de minister van Justitie.

Art. 9

Totdat het Instituut voor gerechtelijke opleiding operationeel is en ten laatste tot op 1 januari 2009, worden de bevoegdheden ervan bepaald in de artikelen 259bis-9, 259sexies, 259octies van het Gerechtelijk Wetboek uitgeoefend door de minister van Justitie.

De Koning stelt de datum vast waarop elk van deze bevoegdheden door het Instituut kan worden opgenomen.

Art. 10

De bepalingen van artikelen 1 tot 9 hebben uitwerking met ingang van 2 februari 2008.

21 mei 2008.

Hugo VANDENBERGHE
Marie-Hélène CROMBÉ-BERTON
Patrik VANKRUNKELSVEN
Philippe MAHOUX
Francis DELPÉRÉE
Tony VAN PARYS
Martine TAELMAN
Pol VAN DEN DRIESSCHE.



Terug naar het overzicht
SCHRIJF IN OP ONZE
E-BRIEF!
Uw e-mailadres: