Hugo Vandenberghe - Tony Van Parys - Pol Van Den Driessche
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI tot regeling van het notarisambt en tot aanpassing van het statuut van de verenigde benoemingscommissies voor het notariaat (4-735)
(07-05-2008)
Ingediend door de heer Hugo Vandenberghe c.s.
Samenvatting: "Dit wetsvoorstel remedieert een aantal juridische onvolkomenheden met betrekking tot de regels over de samenstelling van de verschillende benoemingscommissies voor het notariaat."
--------------------------------------------------------------------------------
TOELICHTING
--------------------------------------------------------------------------------
Dit wetsvoorstel remedieert een aantal juridische onvolkomenheden met betrekking tot de regels over de samenstelling van de verschillende benoemingscommissies voor het notariaat.
In eerste instantie beoogt het rechtspersoonlijkheid te geven aan de verenigde benoemingscommissies, een paritair en onafhankelijk orgaan, waarvan bepaald is dat het lidmaatschap in deze instantie onverenigbaar is met de andere notariële gremia.
Door de rechtspersoonlijkheid kunnen de verenigde benoemingscommissies — in tegenstelling tot de huidige situatie — zelfstandig personeel aanwerven. Momenteel kan enkel personeel ter beschikking worden gesteld dat werkzaam is bij een andere notariële instelling.
Bij de samenstelling van de verschillende benoemingscommissies dient er een gezonde mix te zijn van vernieuwing en continuïteit. Gezien artikel 38, § 7, van de ventôsewet stipuleert dat geen enkel lidmaatschap onmiddellijk hernieuwbaar is, betekent dit dat om de vier jaar de benoemingscommissie in zijn geheel vernieuwd wordt. In het licht van het geleidelijk uitbouwen van een beleid en expertise is dit niet wenselijk. Daarnaast beperkt het ook de keuzevrijheid van de benoemende overheid, vermits ook de plaatsvervangende leden van de benoemingscommissies die hun mandaat slechts beperkt hebben uitgeoefend, niet herkiesbaar zijn.
Bij de oprichting van de benoemingscommissies werd de rol van de provinciale kamers inzake klachtenbehandeling uit het oog verloren. Het is belangrijk dat de benoemingscommissies in samenspraak met de provinciale genootschappen aan klachtenbehandeling kunnen doen. De huidige samenwerking berust op een informeel akkoord en creëert rechtsonzekerheid bij de klagende burger. Het is belangrijk dat die rechtsonzekerheid wordt weggewerkt en dat de benoemingscommissies samen met de provinciale genootschappen, hun rol opnemen als ombudsman ten aanzien van de burger.
Verder wil dit wetsvoorstel eveneens een regeling treffen met betrekking tot een aantal technische aangelegenheden voor de uitoefening van het ambt van notaris.
Vooreerst wil het duidelijkheid verschaffen over het feit dat een benoemd notaris eveneens kan worden benoemd in een nieuwe vacante plaats.
Daarnaast is het belangrijk een einde te maken aan de rechtsonzekerheid zowel voor de overlatende notaris als de overnemer inzake het bestaan en draagwijdte van een niet-concurrentieverplichting.
Ten slotte wordt een regeling uitgewerkt om de impact van de fusies van de gemeenten op de standplaats van de notaris duidelijk te stellen in de logica van de wet van 25 maart 1999 betreffende de hervorming van de gerechtelijke kantons.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 1
Dit artikel bepaalt de grondwettelijke basis van dit wetsvoorstel.
Artikel 2, 1º
De verenigde benoemingscommissies beschikken niet over rechtspersoonlijkheid. Dit heeft tot gevolg dat de medewerkers die zij tewerkstellen, formeel moeten aangeworven worden door de Nationale Kamer van notarissen. In het licht van de onafhankelijkheid van de verschillende notariële instellingen, die trouwens blijkt uit de onverenigbaarheid tussen het lidmaatschap van een notaris die zetelt in een notariële instelling en de benoemingscommissies, is het wellicht beter dat de medewerkers rechtstreeks worden aangeworven door de benoemingscommissies die hiertoe best rechtspersoonlijkheid verwerven, temeer daar zij een gescheiden financiering hebben. De Nederlandstalige en Franstalige benoemingscommissies blijven als aparte instellingen functioneren, maar maken gebruik van de middelen die door de dotatie aan de verenigde benoemingscommissies worden toevertrouwd.
Artikel 2, 2º
De bepalingen inzake de duur van het mandaat zijn quasi identiek aan de wettelijke regels inzake de Hoge Raad voor de Justitie, die model stond voor het statuut en de bevoegdheden van de benoemingscommissies voor het notariaat. Anders dan de leden van de Hoge Raad voor de Justitie (artikel 259bis-2 Ger.W.) zijn de effectieve en plaatsvervangende leden van de benoemingscommissies volgens de geldende tekst weliswaar niet onmiddellijk herkiesbaar. Dit impliceert dat de benoemingscommissies iedere 4 jaar volledig vernieuwd worden. Nergens in de parlementaire voorbereiding blijkt dat dit een bewuste keuze geweest is van de wetgever. Het systeem van integrale vervanging leidt tot een plotse breuk in ervaring en deskundigheid en zorgt ervoor dat de opvolgers als het ware opnieuw van nul moeten starten, vermits zij niet kunnen steunen op de ervaringen opgedaan in het verleden.
Artikel 2, 3º
Volgens de huidige tekst van artikel 38, § 8, eerste lid, ventôsewet kan niemand van het uittredend bureau deel uitmaken van het nieuw bureau. In het licht van de wijziging van artikel 38, § 7, past het om het woord eenmalig te schrappen. De bepalingen inzake samenstelling van het bureau zijn dan ook volledig vergelijkbaar met de samenstelling van de Hoge Raad voor de Justitie.
Artikel 3
Het is evident dat een notaris in functie steeds kandidaat kan zijn voor een ander vacante plaats. Om een nieuwe benoeming te bekomen moet hij niet eerst nog tot kandidaat-notaris worden benoemd. Een strikte lezing van de huidige tekst van artikel 43 zou in die richting kunnen wijzen, wat nooit de bedoeling kan zijn geweest. Met de nieuwe tekst wordt dit verholpen.
Artikelen 4 en 5
Wanneer de Koning een notaris benoemt, wordt in de aanstellingsakte de vaste (notariële) standplaats aangewezen. De territoriale omschrijving van de standplaats valt meestal samen met de grenzen van een gemeente. Na de administratieve fusie van gemeenten heeft de Koning verder notarissen benoemd in standplaatsen die samenvielen met de gebiedsomschrijving van de gemeenten, zoals die bestonden vóór de fusie. Deze « oude » gemeenten waren immers nog steeds opgenomen in het bijvoegsel van het Gerechtelijk Wetboek. Sinds de wet van 25 maart 1999, in werking getreden op 1 september 2001, zijn de grenzen van de gerechtelijke kantons gebaseerd op de grenzen van de fusiegemeenten en kan men normalerwijze niet meer terugvallen op de gemeenten van vóór de fusie. Nochtans is dit wel de administratieve praktijk. De huidige situatie resulteert in onduidelijkheid. Sommige kandidaten postuleren voor een plaats, met het vaste voornemen om nadien een verplaatsing te vragen binnen de fusiegemeente. Het zou veel beter zijn mocht voor ieder op voorhand vastliggen dat iemand die benoemd wordt in een gemeente die ten gevolge van de fusie opgenomen werd in een grotere fusiegemeente, zich in heel deze fusiegemeente zou mogen vestigen.
Artikel 6
Recentelijk kwam de rechtsonzekerheid aan het licht naar aanleiding van de niet-concurrentieverplichting van de overlatende notaris bij de overdracht van een notariskantoor. Thans is de niet-concurrentieverplichting uitsluitend geregeld onder de vorm van een deontologische bepaling. De artikelen 41 en 42 van de deontologische code vastgesteld door de Nationale Kamer van notarissen op 22 juni 2004 en bindend verklaard bij koninklijk besluit van 21 september 2005 (Belgisch Staatsblad 3 november 2005), bepalen :
« Artikel 41. De erenotaris kwijt zich loyaal ten aanzien van zijn opvolger van de verplichtingen die hem opgelegd worden door artikel 55, § 1, van de organieke wet op het notariaat. De vergoeding die hij ontvangt krachtens artikel 55 impliceert, indien hij een professionele activiteit voortzet in het notariaat, dat hij zich onthoudt van elke daad van mededinging ten aanzien van zijn opvolger. Meer bepaald onthoudt een notaris in functie zich ervan een overeenkomst te sluiten met een erenotaris die niet zijn voorganger is indien zijn kantoor zich in de onmiddellijke omgeving bevindt van het kantoor waarvan de erenotaris de titularis was, en in het bijzonder indien zijn kantoor gevestigd is in hetzelfde vredegerechtskanton, in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente.
Artikel 42. De erenotaris die zijn diensten verleent aan een notaris in functie onthoudt zich ervan voordeel te halen uit zijn titel of zijn relaties om cliënteel te prospecteren. Bij zijn prestaties in dienst van de notaris in functie, gebruikt hij geen persoonlijk briefpapier waarop zijn naam en zijn hoedanigheid van erenotaris worden vermeld. ».
De vraag rijst of een deontologische bepaling in feite wel de geschikte plaats is om de niet-concurrentieverplichting te regelen. Deontologische bepalingen zijn immers slechts van toepassing op beroepsbeoefenaars of gewezen beroepsbeoefenaars, in de mate dat ze een eretitel wensen te voeren. Zij kunnen aldus bijvoorbeeld niet worden aangewend voor gewezen notarissen die de activiteit van vastgoedmakelaar uitoefenen na hun ontslag (zonder dat ze de titel van erenotaris aangevraagd hebben). Zelfs wanneer een deontologische bepaling van toepassing is, kan deze nooit een bindende beslissing vormen met betrekking tot een geschil over subjectieve rechten tussen beroepsbeoefenaars. Dit geldt des te meer nu men de overdracht van een notariskantoor beschouwt als een vorm van wettelijke overdracht en niet als een conventionele overdracht. Bij een louter conventionele overdracht is de niet-concurrentieverplichting een resultante van de verplichting tot vrijwaring voor eigen daad.
De huidige wettelijke regeling laat de overnemer alsook de notariële instellingen in de rechtsonzekerheid, zoals trouwens ook de overlatende notaris. Het lijkt alsof de niet-concurrentieverplichting enkel zou gelden voor erenotarissen wat niet de bedoeling is. Omgekeerd creëert het wettelijk vacuüm onduidelijkheid over welke economische activiteit de overlater mag ondernemen na overname.
Artikel 7
Dit voorstel is een technische wijziging van de klachtenbehandeling binnen het notariaat en beoogt de informele samenwerking tussen de provinciale kamers en de benoemingscommissie van het notariaat een wettelijke grondslag te geven.
Het doel van een klachtbehandeling is de gevallen te identificeren waar de notariële dienstverlening niet beantwoordde aan de legitieme verwachtingen die een burger mocht hebben binnen het bestaande wettelijk kader.
De provinciale kamers behouden hierbij hun bevoegdheid welke ze sinds 200 jaar uitoefenen en behandelen de klacht in eerste lijn. Gelet op hun toegankelijkheid en nabijheid zijn zij in staat om veel vlugger te reageren en te pogen om een oplossing te vinden die de klager kan tevreden stellen.
De benoemingscommissies komen slechts tussen in tweede lijn, op uitdrukkelijk verzoek van de klager.
Thans zijn de artikelen 49bis en 76, 4º, van de wet op het notarisambt onvoldoende duidelijk.
Een klacht kan tegelijk worden ingediend bij de provinciale kamer en de bevoegde benoemingscommissie. Is de benoemingscommissie in dit geval bevoegd ? Zijn de provinciale kamers wettelijk bevoegd om klachten te behandelen ondanks een lange traditie in deze materie ? Kan een klacht die reeds behandeld is door de provinciale kamer behandeld worden door de benoemingscommissie ?
De verenigde benoemingscommissies centraliseren de klachten, coderen ze en versturen ze naar de bevoegde benoemingscommissie, naar de provinciale kamer van de standplaats van de betrokken notaris en verschaffen hierbij ook de klager informatie omtrent de gevolgde procedure. Iedere klacht tegen een notaris hetzij bij de FOD Justitie, hetzij de Koninklijke Federatie van notarissen wordt gecentraliseerd bij de verenigde benoemingscommissies.
Dit zal toelaten :
1º een globaal overzicht te verkrijgen van de problemen welke van aard zijn het voorwerp uit te maken van een aanbeveling aan de minister van Justitie;
2º zich rekenschap te geven van de specifieke problemen van een kantoor indien er verschillende klachten zijn met eenzelfde onderwerp en om in dit geval de provinciale kamer in te lichten.
De betreffende provinciale kamer is uitsluitend bevoegd om de klacht in eerste lijn te behandelen. Zij beschikt hierbij over een termijn van zes maanden om een gemotiveerde beslissing te nemen. Deze termijn kan verlengd worden door de bevoegde benoemingscommissie. Indien de klacht gegrond is zorgt de provinciale kamer voor de opvolging van de klacht, waarbij zij de bevoegde benoemingscommissie op de hoogte houdt. De klachtenbehandeling wordt transparanter. Zij zal de provinciale kamers responsabiliseren voor de klachtenbehandeling.
De verenigde benoemingscommissies beschikken over de bevoegdheid om een procedure van klachtenbehandeling op te stellen.
In de wettekst wordt de notaris verplicht om in te gaan op verzoeken tot informatie vanwege de benoemingscommissie. Thans is dit een lacune, vermits een notaris gewoon een verzoek tot informatie vanwege de benoemingscommissies naast zich kan neerleggen, in tegenstelling tot informatieverzoeken van andere notariële instellingen. In paragraaf 5 wordt hieraan voldaan.
Wanneer de provinciale kamer oordeelt dat een klacht niet gegrond is, beschikt de klager altijd over de mogelijkheid om zich schriftelijk te wenden tot de bevoegde benoemingscommissie.
Over de behandelde klachten wordt door de benoemingscommissies op regelmatige tijdstippen een schriftelijk verslag uitgebracht aan de minister van Justitie. Deze voorstellen worden ook aan de bevoegde instanties bezorgd.
Artikel 8
Deze wijziging is het logisch gevolg van de nieuwe regeling voorgesteld voor artikel 49bis van de ventôsewet.
Artikel 9
Het is billijk dat de notarissen die zijn benoemd vóór de inwerkingtreding van deze wet en wier standplaats voorheen gevestigd was in een gemeente die een andere gebiedsomschrijving had, nog de kans krijgen om hun kantoor te verplaatsen volgens de vroegere gebiedsomschrijving.
Gelet op de bekommernis om de dienstverlening van het notariaat te vrijwaren in elk kanton, is het aangewezen met de regeling van de kantons die over verscheidene oudere deelgemeenten zijn verspreid, rekening te houden.
Hugo VANDENBERGHE
Tony VAN PARYS
Pol VAN DEN DRIESSCHE.
--------------------------------------------------------------------------------
WETSVOORSTEL
--------------------------------------------------------------------------------
Hoofdstuk I — Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Hoofdstuk II — Wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI tot regeling van het notarisambt
Art. 2
In artikel 38 van de wet van 25 ventôse jaar XI tot regeling van het notarisambt, hersteld bij de wet van 4 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º paragraaf 3 wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
« De verenigde benoemingscommissies beschikken over de rechtspersoonlijkheid. Zij worden vertegenwoordigd door de leden bedoeld in artikel 38, § 8. Alle rechtshandelingen worden geldig verricht door de medeondertekening door de voorzitters van de benoemingscommissies, onverminderd de bevoegdheidsdelegaties waartoe het bureau beslist. »
2º in paragraaf 7, eerste lid, eerste zin, wordt het zinsdeel « ;een uittredend lid is niet onmiddellijk herkiesbaar. » opgeheven.
3º in paragraaf 8, eerste lid, eerste zin, wordt het woord « éénmalige » geschrapt.
Art. 3
In artikel 43, paragraaf 1, eerste zin, van dezelfde wet, hersteld bij de wet 4 mei 1999, worden de woorden « Om tot notaris benoemd te worden moet de betrokkene » vervangen door de woorden « Behoudens het geval dat een betrokkene reeds tot het ambt van notaris is benoemd, moet hij, om tot notaris te worden benoemd, ».
Art. 4
In dezelfde wet wordt een artikel 45bis ingevoegd, luidende :
« Art. 45bis. — De standplaats bedoeld in artikel 45 stemt overeen met het grondgebied van een gemeente vermeld in het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek houdende de gebiedsomschrijving en de zetels van hoven en rechtbanken.
In het geval dat het grondgebied van deze gemeente zich uitstrekt over de gebiedsomschrijving van verschillende kantons, wijst de Koning binnen de grenzen van die gemeente een kanton aan als standplaats. ».
Art. 5
In dezelfde wet wordt een artikel 45ter ingevoegd, luidende :
« Art 45ter. — De Koning kan op gemotiveerd verzoek van de betrokken notaris, alsmede in het geval een plaats vacant wordt, de standplaats overbrengen naar een andere gemeente of kanton.
Het koninklijk besluit houdende machtiging tot overbrenging van standplaats wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. ».
Art. 6
Artikel 48 van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende leden :
« Ingeval van ontslag of ontzetting uit het ambt, gaat de ontslagnemende of de uit zijn ambt ontzette notaris van rechtswege een concurrentiebeding aan.
Dit concurrentiebeding houdt de verbintenis in om na het ontslag de functie als juridisch raadsman niet verder te zetten, hetzij door zelf een onderneming uit te baten hetzij als natuurlijke persoon hetzij onder een welke vorm, hetzij door in dienst te treden bij een werkgever of bij een ander notariskantoor, waardoor de ontslagnemende notaris de mogelijkheid heeft de nieuw benoemde notaris nadeel te berokkenen door de kennis die eigen is aan de notariële praktijk voor zichzelf of ten voordele van een werkgever of een ander notariskantoor aan te wenden.
Dit concurrentiebeding is onderworpen aan de volgende voorwaarden :
1º het heeft enkel betrekking op activiteiten, soortgelijk aan de notariële praktijk;
2º het is geografisch beperkt tot het gerechtelijk arrondissement waarin de standplaats gelegen is van het notariskantoor en de onmiddellijk grenzende gemeenten waarin de ontslagnemende notaris vroeger zijn beroep heeft uitgeoefend;
3º het geldt gedurende een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag waarop de opvolgende notaris zijn eed aflegt. ».
Art. 7
Artikel 49bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet 4 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
« Art. 49bis. — § 1. De bevoegde benoemingscommissie bedoeld in artikel 38 neemt kennis van de klachten over de werking van notariskantoren en zorgt voor de opvolging ervan.
Bij de behandeling van deze klachten waakt de benoemingscommissie over de goede werking van het notariaat ten aanzien van het criterium van de integrale kwaliteitszorg.
Onder klacht over de werking van de notariskantoren wordt verstaan het aanklagen van situaties waarin de aan de rechtzoekende verleende dienst niet overeenstemt met wat hij mocht verwachten van de openbare dienstverlening waarmee het notariaat belast is.
§ 2. Elke belanghebbende kan kosteloos klacht indienen bij de verenigde Benoemingscommissies. Om ontvankelijk te zijn wordt de klacht schriftelijk ingediend. Zij wordt ondertekend en gedagtekend door de klager of door zijn gemachtigde. Ze vermeldt de volledige identiteit van de klager en bevat een bondige beschrijving van de feiten.
De klacht kan ook elektronisch worden ingediend. De verenigde benoemingscommissies kunnen wel een schriftelijke bevestiging vragen van de klacht door de klager of zijn gemachtigde.
§ 3. Elke instantie of overheid die een klacht ontvangt met betrekking tot de werking van het notariaat is gehouden om deze klacht onverwijld integraal mee te delen aan de verenigde benoemingscommissies.
§ 4. Na registratie van de klacht, en indien deze ontvankelijk is, maken zij deze klacht voor behandeling over aan de kamer van notarissen van de standplaats van de notaris.
De bevoegde benoemingscommissie, bedoeld in artikel 38, bericht onverwijld ontvangst van de klacht en vermeldt hierbij de datum waarop ze de klacht ontvangen heeft. Tegelijk deelt ze de klager mee of de klacht al dan niet ontvankelijk is.
§ 5. Elke beslissing van de Kamer van notarissen moet gemotiveerd worden en genomen worden binnen de zes maanden sinds de ontvangst van de klacht. Deze termijn kan verlengd worden door de bevoegde benoemingscommissie.
In voorkomend geval kan de Kamer van notarissen beslissen de klager te horen of aanvullende informatie vragen.
Indien de Kamer van notarissen oordeelt dat de klacht gegrond is, zorgt zij voor de opvolging van het dossier.
Indien de Kamer van notarissen de klacht niet gegrond acht of wanneer de klacht niet werd behandeld binnen de vereiste termijn, kan de bevoegde benoemingscommissie op schriftelijk verzoek van de klager :
1º pogen de standpunten van de betrokkenen te verzoenen;
2º informatie verstrekken aan de klager wanneer de verzoeningspoging geen resultaat oplevert of kan opleveren;
3º aanbevelingen doen die het gerezen probleem kunnen oplossen.
De bevoegde benoemingscommissie kan beslissen om de klager en de notaris tegen wie de klacht werd neergelegd, te horen. Zij kan de notaris verzoeken bijkomende inlichtingen te verschaffen. De notaris geeft aan deze verzoeken om informatie gevolg.
§ 6. Worden niet behandeld de klachten :
1º die behoren tot de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke bevoegdheid van de rechtbanken of van de Nationale Kamer van notarissen;
2º met betrekking tot de uitoefening van het notarisambt, zolang er een gerechtelijke procedure loopt of indien er hieromtrent een gerechtelijke uitspraak is geweest die definitief beëindigd werd;
3º die reeds behandeld zijn volgens de hierboven beschreven procedure en die geen enkel nieuw element bevatten;
4º die kennelijk ongegrond zijn.
De beslissing om een klacht niet te behandelen behoort tot de bevoegdheid van de bevoegde benoemingscommissie. Deze beslissing moet gemotiveerd worden en is niet vatbaar voor enig beroep.
§ 7. De benoemingscommissies stellen na advies van de Kamers van notarissen een reglement van klachtenbehandeling op, waarbij de informatie-uitwisseling tussen beide instanties wordt gegarandeerd.
§ 8. Over de behandelde klachten wordt door de benoemingscommissies op regelmatige tijdstippen een schriftelijk verslag uitgebracht. Zij doen voorstellen tot verbetering van de werking van het notariaat aan de betrokken instanties en aan de minister van Justitie. ».
Art. 8
In artikel 76 van dezelfde wet, opgenomen bij de wet 4 mei 1999, wordt het bepaalde onder 4º vervangen als volgt :
« 4º om alle klachten te behandelen tegen de leden van het genootschap die werden doorgegeven door verenigde benoemingscommissies; ».
Hoofdstuk III — Overgangsbepaling
Art. 9
Wanneer de vaste standplaats van een notaris die voor de inwerkingtreding van deze wet benoemd werd, in de oorspronkelijke aanstellingsakte bedoeld in artikel 45 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt of in een later koninklijk besluit, werd aangewezen onder de benaming van een deel van een gemeente of van een voormalige gemeente die sedertdien gefuseerd is en dat deze vaste standplaats op dit ogenblik gelegen is in een gemeente die vermeld staat in het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek betreffende de gebiedsomschrijving en zetel van hoven en rechtbanken en waarvan het ganse grondgebied deel uitmaakt van een zelfde kanton, dan wordt de vaste standplaats uitgebreid tot het ganse grondgebied van deze gemeente.
Onverminderd de bepalingen van artikel 45ter van de wet van 25 ventôse jaar XI, zoals ingevoegd door deze wet, wanneer het grondgebied van de gemeente vermeld in genoemd bijvoegsel over verschillende gerechtelijke kantons is ingedeeld, strekt de standplaats van de notaris die benoemd werd voor de inwerkingtreding van deze wet, zich uit tot het gehele grondgebied van de standplaats aangewezen in de oorspronkelijke aanstellingsakte bedoeld in voormeld artikel 45 of in een later koninklijk besluit alsmede het gedeelte van het kanton waar zijn kantoor gelegen is op de dag dat deze wet in werking treedt en dat afhangt van de gemeente van zijn standplaats. ».
25 april 2008.
Hugo VANDENBERGHE
Tony VAN PARYS
Pol VAN DEN DRIESSCHE.
Terug naar het overzicht
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI tot regeling van het notarisambt en tot aanpassing van het statuut van de verenigde benoemingscommissies voor het notariaat (4-735)
(07-05-2008)
Ingediend door de heer Hugo Vandenberghe c.s.
Samenvatting: "Dit wetsvoorstel remedieert een aantal juridische onvolkomenheden met betrekking tot de regels over de samenstelling van de verschillende benoemingscommissies voor het notariaat."
--------------------------------------------------------------------------------
TOELICHTING
--------------------------------------------------------------------------------
Dit wetsvoorstel remedieert een aantal juridische onvolkomenheden met betrekking tot de regels over de samenstelling van de verschillende benoemingscommissies voor het notariaat.
In eerste instantie beoogt het rechtspersoonlijkheid te geven aan de verenigde benoemingscommissies, een paritair en onafhankelijk orgaan, waarvan bepaald is dat het lidmaatschap in deze instantie onverenigbaar is met de andere notariële gremia.
Door de rechtspersoonlijkheid kunnen de verenigde benoemingscommissies — in tegenstelling tot de huidige situatie — zelfstandig personeel aanwerven. Momenteel kan enkel personeel ter beschikking worden gesteld dat werkzaam is bij een andere notariële instelling.
Bij de samenstelling van de verschillende benoemingscommissies dient er een gezonde mix te zijn van vernieuwing en continuïteit. Gezien artikel 38, § 7, van de ventôsewet stipuleert dat geen enkel lidmaatschap onmiddellijk hernieuwbaar is, betekent dit dat om de vier jaar de benoemingscommissie in zijn geheel vernieuwd wordt. In het licht van het geleidelijk uitbouwen van een beleid en expertise is dit niet wenselijk. Daarnaast beperkt het ook de keuzevrijheid van de benoemende overheid, vermits ook de plaatsvervangende leden van de benoemingscommissies die hun mandaat slechts beperkt hebben uitgeoefend, niet herkiesbaar zijn.
Bij de oprichting van de benoemingscommissies werd de rol van de provinciale kamers inzake klachtenbehandeling uit het oog verloren. Het is belangrijk dat de benoemingscommissies in samenspraak met de provinciale genootschappen aan klachtenbehandeling kunnen doen. De huidige samenwerking berust op een informeel akkoord en creëert rechtsonzekerheid bij de klagende burger. Het is belangrijk dat die rechtsonzekerheid wordt weggewerkt en dat de benoemingscommissies samen met de provinciale genootschappen, hun rol opnemen als ombudsman ten aanzien van de burger.
Verder wil dit wetsvoorstel eveneens een regeling treffen met betrekking tot een aantal technische aangelegenheden voor de uitoefening van het ambt van notaris.
Vooreerst wil het duidelijkheid verschaffen over het feit dat een benoemd notaris eveneens kan worden benoemd in een nieuwe vacante plaats.
Daarnaast is het belangrijk een einde te maken aan de rechtsonzekerheid zowel voor de overlatende notaris als de overnemer inzake het bestaan en draagwijdte van een niet-concurrentieverplichting.
Ten slotte wordt een regeling uitgewerkt om de impact van de fusies van de gemeenten op de standplaats van de notaris duidelijk te stellen in de logica van de wet van 25 maart 1999 betreffende de hervorming van de gerechtelijke kantons.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 1
Dit artikel bepaalt de grondwettelijke basis van dit wetsvoorstel.
Artikel 2, 1º
De verenigde benoemingscommissies beschikken niet over rechtspersoonlijkheid. Dit heeft tot gevolg dat de medewerkers die zij tewerkstellen, formeel moeten aangeworven worden door de Nationale Kamer van notarissen. In het licht van de onafhankelijkheid van de verschillende notariële instellingen, die trouwens blijkt uit de onverenigbaarheid tussen het lidmaatschap van een notaris die zetelt in een notariële instelling en de benoemingscommissies, is het wellicht beter dat de medewerkers rechtstreeks worden aangeworven door de benoemingscommissies die hiertoe best rechtspersoonlijkheid verwerven, temeer daar zij een gescheiden financiering hebben. De Nederlandstalige en Franstalige benoemingscommissies blijven als aparte instellingen functioneren, maar maken gebruik van de middelen die door de dotatie aan de verenigde benoemingscommissies worden toevertrouwd.
Artikel 2, 2º
De bepalingen inzake de duur van het mandaat zijn quasi identiek aan de wettelijke regels inzake de Hoge Raad voor de Justitie, die model stond voor het statuut en de bevoegdheden van de benoemingscommissies voor het notariaat. Anders dan de leden van de Hoge Raad voor de Justitie (artikel 259bis-2 Ger.W.) zijn de effectieve en plaatsvervangende leden van de benoemingscommissies volgens de geldende tekst weliswaar niet onmiddellijk herkiesbaar. Dit impliceert dat de benoemingscommissies iedere 4 jaar volledig vernieuwd worden. Nergens in de parlementaire voorbereiding blijkt dat dit een bewuste keuze geweest is van de wetgever. Het systeem van integrale vervanging leidt tot een plotse breuk in ervaring en deskundigheid en zorgt ervoor dat de opvolgers als het ware opnieuw van nul moeten starten, vermits zij niet kunnen steunen op de ervaringen opgedaan in het verleden.
Artikel 2, 3º
Volgens de huidige tekst van artikel 38, § 8, eerste lid, ventôsewet kan niemand van het uittredend bureau deel uitmaken van het nieuw bureau. In het licht van de wijziging van artikel 38, § 7, past het om het woord eenmalig te schrappen. De bepalingen inzake samenstelling van het bureau zijn dan ook volledig vergelijkbaar met de samenstelling van de Hoge Raad voor de Justitie.
Artikel 3
Het is evident dat een notaris in functie steeds kandidaat kan zijn voor een ander vacante plaats. Om een nieuwe benoeming te bekomen moet hij niet eerst nog tot kandidaat-notaris worden benoemd. Een strikte lezing van de huidige tekst van artikel 43 zou in die richting kunnen wijzen, wat nooit de bedoeling kan zijn geweest. Met de nieuwe tekst wordt dit verholpen.
Artikelen 4 en 5
Wanneer de Koning een notaris benoemt, wordt in de aanstellingsakte de vaste (notariële) standplaats aangewezen. De territoriale omschrijving van de standplaats valt meestal samen met de grenzen van een gemeente. Na de administratieve fusie van gemeenten heeft de Koning verder notarissen benoemd in standplaatsen die samenvielen met de gebiedsomschrijving van de gemeenten, zoals die bestonden vóór de fusie. Deze « oude » gemeenten waren immers nog steeds opgenomen in het bijvoegsel van het Gerechtelijk Wetboek. Sinds de wet van 25 maart 1999, in werking getreden op 1 september 2001, zijn de grenzen van de gerechtelijke kantons gebaseerd op de grenzen van de fusiegemeenten en kan men normalerwijze niet meer terugvallen op de gemeenten van vóór de fusie. Nochtans is dit wel de administratieve praktijk. De huidige situatie resulteert in onduidelijkheid. Sommige kandidaten postuleren voor een plaats, met het vaste voornemen om nadien een verplaatsing te vragen binnen de fusiegemeente. Het zou veel beter zijn mocht voor ieder op voorhand vastliggen dat iemand die benoemd wordt in een gemeente die ten gevolge van de fusie opgenomen werd in een grotere fusiegemeente, zich in heel deze fusiegemeente zou mogen vestigen.
Artikel 6
Recentelijk kwam de rechtsonzekerheid aan het licht naar aanleiding van de niet-concurrentieverplichting van de overlatende notaris bij de overdracht van een notariskantoor. Thans is de niet-concurrentieverplichting uitsluitend geregeld onder de vorm van een deontologische bepaling. De artikelen 41 en 42 van de deontologische code vastgesteld door de Nationale Kamer van notarissen op 22 juni 2004 en bindend verklaard bij koninklijk besluit van 21 september 2005 (Belgisch Staatsblad 3 november 2005), bepalen :
« Artikel 41. De erenotaris kwijt zich loyaal ten aanzien van zijn opvolger van de verplichtingen die hem opgelegd worden door artikel 55, § 1, van de organieke wet op het notariaat. De vergoeding die hij ontvangt krachtens artikel 55 impliceert, indien hij een professionele activiteit voortzet in het notariaat, dat hij zich onthoudt van elke daad van mededinging ten aanzien van zijn opvolger. Meer bepaald onthoudt een notaris in functie zich ervan een overeenkomst te sluiten met een erenotaris die niet zijn voorganger is indien zijn kantoor zich in de onmiddellijke omgeving bevindt van het kantoor waarvan de erenotaris de titularis was, en in het bijzonder indien zijn kantoor gevestigd is in hetzelfde vredegerechtskanton, in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente.
Artikel 42. De erenotaris die zijn diensten verleent aan een notaris in functie onthoudt zich ervan voordeel te halen uit zijn titel of zijn relaties om cliënteel te prospecteren. Bij zijn prestaties in dienst van de notaris in functie, gebruikt hij geen persoonlijk briefpapier waarop zijn naam en zijn hoedanigheid van erenotaris worden vermeld. ».
De vraag rijst of een deontologische bepaling in feite wel de geschikte plaats is om de niet-concurrentieverplichting te regelen. Deontologische bepalingen zijn immers slechts van toepassing op beroepsbeoefenaars of gewezen beroepsbeoefenaars, in de mate dat ze een eretitel wensen te voeren. Zij kunnen aldus bijvoorbeeld niet worden aangewend voor gewezen notarissen die de activiteit van vastgoedmakelaar uitoefenen na hun ontslag (zonder dat ze de titel van erenotaris aangevraagd hebben). Zelfs wanneer een deontologische bepaling van toepassing is, kan deze nooit een bindende beslissing vormen met betrekking tot een geschil over subjectieve rechten tussen beroepsbeoefenaars. Dit geldt des te meer nu men de overdracht van een notariskantoor beschouwt als een vorm van wettelijke overdracht en niet als een conventionele overdracht. Bij een louter conventionele overdracht is de niet-concurrentieverplichting een resultante van de verplichting tot vrijwaring voor eigen daad.
De huidige wettelijke regeling laat de overnemer alsook de notariële instellingen in de rechtsonzekerheid, zoals trouwens ook de overlatende notaris. Het lijkt alsof de niet-concurrentieverplichting enkel zou gelden voor erenotarissen wat niet de bedoeling is. Omgekeerd creëert het wettelijk vacuüm onduidelijkheid over welke economische activiteit de overlater mag ondernemen na overname.
Artikel 7
Dit voorstel is een technische wijziging van de klachtenbehandeling binnen het notariaat en beoogt de informele samenwerking tussen de provinciale kamers en de benoemingscommissie van het notariaat een wettelijke grondslag te geven.
Het doel van een klachtbehandeling is de gevallen te identificeren waar de notariële dienstverlening niet beantwoordde aan de legitieme verwachtingen die een burger mocht hebben binnen het bestaande wettelijk kader.
De provinciale kamers behouden hierbij hun bevoegdheid welke ze sinds 200 jaar uitoefenen en behandelen de klacht in eerste lijn. Gelet op hun toegankelijkheid en nabijheid zijn zij in staat om veel vlugger te reageren en te pogen om een oplossing te vinden die de klager kan tevreden stellen.
De benoemingscommissies komen slechts tussen in tweede lijn, op uitdrukkelijk verzoek van de klager.
Thans zijn de artikelen 49bis en 76, 4º, van de wet op het notarisambt onvoldoende duidelijk.
Een klacht kan tegelijk worden ingediend bij de provinciale kamer en de bevoegde benoemingscommissie. Is de benoemingscommissie in dit geval bevoegd ? Zijn de provinciale kamers wettelijk bevoegd om klachten te behandelen ondanks een lange traditie in deze materie ? Kan een klacht die reeds behandeld is door de provinciale kamer behandeld worden door de benoemingscommissie ?
De verenigde benoemingscommissies centraliseren de klachten, coderen ze en versturen ze naar de bevoegde benoemingscommissie, naar de provinciale kamer van de standplaats van de betrokken notaris en verschaffen hierbij ook de klager informatie omtrent de gevolgde procedure. Iedere klacht tegen een notaris hetzij bij de FOD Justitie, hetzij de Koninklijke Federatie van notarissen wordt gecentraliseerd bij de verenigde benoemingscommissies.
Dit zal toelaten :
1º een globaal overzicht te verkrijgen van de problemen welke van aard zijn het voorwerp uit te maken van een aanbeveling aan de minister van Justitie;
2º zich rekenschap te geven van de specifieke problemen van een kantoor indien er verschillende klachten zijn met eenzelfde onderwerp en om in dit geval de provinciale kamer in te lichten.
De betreffende provinciale kamer is uitsluitend bevoegd om de klacht in eerste lijn te behandelen. Zij beschikt hierbij over een termijn van zes maanden om een gemotiveerde beslissing te nemen. Deze termijn kan verlengd worden door de bevoegde benoemingscommissie. Indien de klacht gegrond is zorgt de provinciale kamer voor de opvolging van de klacht, waarbij zij de bevoegde benoemingscommissie op de hoogte houdt. De klachtenbehandeling wordt transparanter. Zij zal de provinciale kamers responsabiliseren voor de klachtenbehandeling.
De verenigde benoemingscommissies beschikken over de bevoegdheid om een procedure van klachtenbehandeling op te stellen.
In de wettekst wordt de notaris verplicht om in te gaan op verzoeken tot informatie vanwege de benoemingscommissie. Thans is dit een lacune, vermits een notaris gewoon een verzoek tot informatie vanwege de benoemingscommissies naast zich kan neerleggen, in tegenstelling tot informatieverzoeken van andere notariële instellingen. In paragraaf 5 wordt hieraan voldaan.
Wanneer de provinciale kamer oordeelt dat een klacht niet gegrond is, beschikt de klager altijd over de mogelijkheid om zich schriftelijk te wenden tot de bevoegde benoemingscommissie.
Over de behandelde klachten wordt door de benoemingscommissies op regelmatige tijdstippen een schriftelijk verslag uitgebracht aan de minister van Justitie. Deze voorstellen worden ook aan de bevoegde instanties bezorgd.
Artikel 8
Deze wijziging is het logisch gevolg van de nieuwe regeling voorgesteld voor artikel 49bis van de ventôsewet.
Artikel 9
Het is billijk dat de notarissen die zijn benoemd vóór de inwerkingtreding van deze wet en wier standplaats voorheen gevestigd was in een gemeente die een andere gebiedsomschrijving had, nog de kans krijgen om hun kantoor te verplaatsen volgens de vroegere gebiedsomschrijving.
Gelet op de bekommernis om de dienstverlening van het notariaat te vrijwaren in elk kanton, is het aangewezen met de regeling van de kantons die over verscheidene oudere deelgemeenten zijn verspreid, rekening te houden.
Hugo VANDENBERGHE
Tony VAN PARYS
Pol VAN DEN DRIESSCHE.
--------------------------------------------------------------------------------
WETSVOORSTEL
--------------------------------------------------------------------------------
Hoofdstuk I — Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Hoofdstuk II — Wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI tot regeling van het notarisambt
Art. 2
In artikel 38 van de wet van 25 ventôse jaar XI tot regeling van het notarisambt, hersteld bij de wet van 4 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º paragraaf 3 wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
« De verenigde benoemingscommissies beschikken over de rechtspersoonlijkheid. Zij worden vertegenwoordigd door de leden bedoeld in artikel 38, § 8. Alle rechtshandelingen worden geldig verricht door de medeondertekening door de voorzitters van de benoemingscommissies, onverminderd de bevoegdheidsdelegaties waartoe het bureau beslist. »
2º in paragraaf 7, eerste lid, eerste zin, wordt het zinsdeel « ;een uittredend lid is niet onmiddellijk herkiesbaar. » opgeheven.
3º in paragraaf 8, eerste lid, eerste zin, wordt het woord « éénmalige » geschrapt.
Art. 3
In artikel 43, paragraaf 1, eerste zin, van dezelfde wet, hersteld bij de wet 4 mei 1999, worden de woorden « Om tot notaris benoemd te worden moet de betrokkene » vervangen door de woorden « Behoudens het geval dat een betrokkene reeds tot het ambt van notaris is benoemd, moet hij, om tot notaris te worden benoemd, ».
Art. 4
In dezelfde wet wordt een artikel 45bis ingevoegd, luidende :
« Art. 45bis. — De standplaats bedoeld in artikel 45 stemt overeen met het grondgebied van een gemeente vermeld in het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek houdende de gebiedsomschrijving en de zetels van hoven en rechtbanken.
In het geval dat het grondgebied van deze gemeente zich uitstrekt over de gebiedsomschrijving van verschillende kantons, wijst de Koning binnen de grenzen van die gemeente een kanton aan als standplaats. ».
Art. 5
In dezelfde wet wordt een artikel 45ter ingevoegd, luidende :
« Art 45ter. — De Koning kan op gemotiveerd verzoek van de betrokken notaris, alsmede in het geval een plaats vacant wordt, de standplaats overbrengen naar een andere gemeente of kanton.
Het koninklijk besluit houdende machtiging tot overbrenging van standplaats wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. ».
Art. 6
Artikel 48 van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende leden :
« Ingeval van ontslag of ontzetting uit het ambt, gaat de ontslagnemende of de uit zijn ambt ontzette notaris van rechtswege een concurrentiebeding aan.
Dit concurrentiebeding houdt de verbintenis in om na het ontslag de functie als juridisch raadsman niet verder te zetten, hetzij door zelf een onderneming uit te baten hetzij als natuurlijke persoon hetzij onder een welke vorm, hetzij door in dienst te treden bij een werkgever of bij een ander notariskantoor, waardoor de ontslagnemende notaris de mogelijkheid heeft de nieuw benoemde notaris nadeel te berokkenen door de kennis die eigen is aan de notariële praktijk voor zichzelf of ten voordele van een werkgever of een ander notariskantoor aan te wenden.
Dit concurrentiebeding is onderworpen aan de volgende voorwaarden :
1º het heeft enkel betrekking op activiteiten, soortgelijk aan de notariële praktijk;
2º het is geografisch beperkt tot het gerechtelijk arrondissement waarin de standplaats gelegen is van het notariskantoor en de onmiddellijk grenzende gemeenten waarin de ontslagnemende notaris vroeger zijn beroep heeft uitgeoefend;
3º het geldt gedurende een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag waarop de opvolgende notaris zijn eed aflegt. ».
Art. 7
Artikel 49bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet 4 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
« Art. 49bis. — § 1. De bevoegde benoemingscommissie bedoeld in artikel 38 neemt kennis van de klachten over de werking van notariskantoren en zorgt voor de opvolging ervan.
Bij de behandeling van deze klachten waakt de benoemingscommissie over de goede werking van het notariaat ten aanzien van het criterium van de integrale kwaliteitszorg.
Onder klacht over de werking van de notariskantoren wordt verstaan het aanklagen van situaties waarin de aan de rechtzoekende verleende dienst niet overeenstemt met wat hij mocht verwachten van de openbare dienstverlening waarmee het notariaat belast is.
§ 2. Elke belanghebbende kan kosteloos klacht indienen bij de verenigde Benoemingscommissies. Om ontvankelijk te zijn wordt de klacht schriftelijk ingediend. Zij wordt ondertekend en gedagtekend door de klager of door zijn gemachtigde. Ze vermeldt de volledige identiteit van de klager en bevat een bondige beschrijving van de feiten.
De klacht kan ook elektronisch worden ingediend. De verenigde benoemingscommissies kunnen wel een schriftelijke bevestiging vragen van de klacht door de klager of zijn gemachtigde.
§ 3. Elke instantie of overheid die een klacht ontvangt met betrekking tot de werking van het notariaat is gehouden om deze klacht onverwijld integraal mee te delen aan de verenigde benoemingscommissies.
§ 4. Na registratie van de klacht, en indien deze ontvankelijk is, maken zij deze klacht voor behandeling over aan de kamer van notarissen van de standplaats van de notaris.
De bevoegde benoemingscommissie, bedoeld in artikel 38, bericht onverwijld ontvangst van de klacht en vermeldt hierbij de datum waarop ze de klacht ontvangen heeft. Tegelijk deelt ze de klager mee of de klacht al dan niet ontvankelijk is.
§ 5. Elke beslissing van de Kamer van notarissen moet gemotiveerd worden en genomen worden binnen de zes maanden sinds de ontvangst van de klacht. Deze termijn kan verlengd worden door de bevoegde benoemingscommissie.
In voorkomend geval kan de Kamer van notarissen beslissen de klager te horen of aanvullende informatie vragen.
Indien de Kamer van notarissen oordeelt dat de klacht gegrond is, zorgt zij voor de opvolging van het dossier.
Indien de Kamer van notarissen de klacht niet gegrond acht of wanneer de klacht niet werd behandeld binnen de vereiste termijn, kan de bevoegde benoemingscommissie op schriftelijk verzoek van de klager :
1º pogen de standpunten van de betrokkenen te verzoenen;
2º informatie verstrekken aan de klager wanneer de verzoeningspoging geen resultaat oplevert of kan opleveren;
3º aanbevelingen doen die het gerezen probleem kunnen oplossen.
De bevoegde benoemingscommissie kan beslissen om de klager en de notaris tegen wie de klacht werd neergelegd, te horen. Zij kan de notaris verzoeken bijkomende inlichtingen te verschaffen. De notaris geeft aan deze verzoeken om informatie gevolg.
§ 6. Worden niet behandeld de klachten :
1º die behoren tot de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke bevoegdheid van de rechtbanken of van de Nationale Kamer van notarissen;
2º met betrekking tot de uitoefening van het notarisambt, zolang er een gerechtelijke procedure loopt of indien er hieromtrent een gerechtelijke uitspraak is geweest die definitief beëindigd werd;
3º die reeds behandeld zijn volgens de hierboven beschreven procedure en die geen enkel nieuw element bevatten;
4º die kennelijk ongegrond zijn.
De beslissing om een klacht niet te behandelen behoort tot de bevoegdheid van de bevoegde benoemingscommissie. Deze beslissing moet gemotiveerd worden en is niet vatbaar voor enig beroep.
§ 7. De benoemingscommissies stellen na advies van de Kamers van notarissen een reglement van klachtenbehandeling op, waarbij de informatie-uitwisseling tussen beide instanties wordt gegarandeerd.
§ 8. Over de behandelde klachten wordt door de benoemingscommissies op regelmatige tijdstippen een schriftelijk verslag uitgebracht. Zij doen voorstellen tot verbetering van de werking van het notariaat aan de betrokken instanties en aan de minister van Justitie. ».
Art. 8
In artikel 76 van dezelfde wet, opgenomen bij de wet 4 mei 1999, wordt het bepaalde onder 4º vervangen als volgt :
« 4º om alle klachten te behandelen tegen de leden van het genootschap die werden doorgegeven door verenigde benoemingscommissies; ».
Hoofdstuk III — Overgangsbepaling
Art. 9
Wanneer de vaste standplaats van een notaris die voor de inwerkingtreding van deze wet benoemd werd, in de oorspronkelijke aanstellingsakte bedoeld in artikel 45 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt of in een later koninklijk besluit, werd aangewezen onder de benaming van een deel van een gemeente of van een voormalige gemeente die sedertdien gefuseerd is en dat deze vaste standplaats op dit ogenblik gelegen is in een gemeente die vermeld staat in het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek betreffende de gebiedsomschrijving en zetel van hoven en rechtbanken en waarvan het ganse grondgebied deel uitmaakt van een zelfde kanton, dan wordt de vaste standplaats uitgebreid tot het ganse grondgebied van deze gemeente.
Onverminderd de bepalingen van artikel 45ter van de wet van 25 ventôse jaar XI, zoals ingevoegd door deze wet, wanneer het grondgebied van de gemeente vermeld in genoemd bijvoegsel over verschillende gerechtelijke kantons is ingedeeld, strekt de standplaats van de notaris die benoemd werd voor de inwerkingtreding van deze wet, zich uit tot het gehele grondgebied van de standplaats aangewezen in de oorspronkelijke aanstellingsakte bedoeld in voormeld artikel 45 of in een later koninklijk besluit alsmede het gedeelte van het kanton waar zijn kantoor gelegen is op de dag dat deze wet in werking treedt en dat afhangt van de gemeente van zijn standplaats. ».
25 april 2008.
Hugo VANDENBERGHE
Tony VAN PARYS
Pol VAN DEN DRIESSCHE.
Terug naar het overzicht

