Bijzondere Inlichtingen Methoden (BIM)
Hugo Vandenberghe
Grote stap vooruit.Tussenkomst Hugo Vandenberghe tijdens plenair debat
(16-07-2009)
Ik dank beide rapporteurs voor de verslagen, die heel goed de inzet en het belang van het wetsvoorstel weergeven. Het activiteitenverslag 2008 van het Vast Comité I dat we enkele dagen geleden ontvingen, vermeldt dat de indiening in 2008 van het wetsvoorstel dat vandaag ter bespreking voorligt, ongetwijfeld het belangrijkste initiatief is in de lijn van de aanbevelingen die het Vast Comité I en de Commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de voorbije jaren hebben genomen. Het activiteitenverslag van het Vast Comité I maakt inderdaad reeds verschillende jaren melding van de absolute noodzaak om de methodes waarover de Belgische inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen beschikken uit te breiden teneinde hun wettelijke opdachten te kunnen uitvoeren. Het wetsvoorstel is belangrijk omdat het een antwoord biedt op de vraag van de inlichtingendiensten om over performante middelen te kunnen beschikken om hun wettelijk toegewezen opdrachten in het kader van de steeds grotere uitdagingen door de toenemende bedreigingen, zoals eventuele terroristische aanslagen of het systematisch gebruik van supergeavanceerde communicatietechnologieën of het misbruik van internet, of de hacking door buitenlandse mogendheden, te kunnen ondervangen en te bestrijden.
Op het ogenblik wordt de doeltreffendheid van onze inlichtingendiensten toch beperkt doordat ze een deel van de noodzakelijke inlichtingenmethodes niet kunnen gebruiken. Dit werd enkele dagen geleden onderstreept door professor Matthijs in zijn opiniebijdrage De versleten pijl en boog van de Belgische inlichtingendienst". Het beperkte gamma van de mogelijkheden tot informatiegaring door onze inlichtingendiensten heeft tot gevolg dat de bedoelingen of handelingen van personen en/of groeperingen die een werkelijke bedreiging kunnen zijn voor de fundamentele belangen van de staat en de rechtstaat, onder dit aspect moeten kunnen worden ondervangen, maar dat natuurlijk de grondwettelijk beschermde individuele rechten en vrijheden moeten kunnen worden gevrijwaard. Tegen de potentiële bedreigingen van deze fundamentele rechten en vrijheden moet trouwens kunnen worden opgetreden.
De menselijke bronnen of de gegevensverwerving vanuit de openbare diensten en de analyse van de hierdoor verkregen gegevens zijn als methode inderdaad van onschatbare waarde voor onze inlichtingendiensten, maar men kan niet ontkennen dat de grenzen van deze methodes al te snel zijn bereikt en dat ze in sommige gevallen ontoereikend zijn om bijvoorbeeld een diepgaand onderzoek naar terroristische netwerken of gesofisticeerde spionagetechnieken te voeren. De complexer wordende bedreigingen kunnen vaak pas in kaart worden gebracht na de toepassing van bijkomende inlichtingenmethodes. Willen we dat de inlichtingendiensten compleet machteloos aan de zijlijn staan? Ik geloof het niet. Kunnen de Belgische inlichtingendiensten, terwijl de inlichtingendiensten uit de andere Europese landen over een uitgebreide waaier aan methodes kunnen beschikken, blijven strijden met methodes die niet meer in verhouding zijn tot de bedreiging?
Sedert de aanslagen van 11 september 2001 heeft de senaat jaarlijks de politieke wil uitgedrukt om aan de veiligheidsdiensten bijkomende middelen ter beschikking te stellen. Dat leidde op het einde van de vorige regeerperiode tot een wetsontwerp betreffende de methodes voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Uit de hoorzitting die toen in de commissie voor de Justitie plaatsvond, bleek duidelijk dat de tekst op bepaalde punten grondig diende te worden aangepast. Door de ontbinding van de wetgevende kamers op 2 mei 2007 is dit wetsontwerp echter vervallen verklaard.
In het regeerakkoord en in de beleidsnota van de minister wordt de draad opnieuw opgenomen en wordt de noodzaak vermeld om via een zogenaamde nieuwe BIM-wet, een wet over de bijzonder inlichtingenmethodes, de Belgische inlichtingendiensten opnieuw op het Europese niveau te tillen.
De loutere toepassing van de extra methodes die we met dit wetsvoorstel aan de inlichtingendienst toebedelen om gegevens te verzamelen over bedreigende fenomenen, kan noodzakelijkerwijze een beperking inhouden van de individuele rechten en vrijheden van personen ten aanzien van wie die methodes worden gehanteerd. Daarom is het eerste uitgangspunt van alle indieners geweest dat het toekennen van extra middelen aan de Staatsveiligheid en aan de Algemene Dienst inlichtingen en veiligheid om een effectief veiligheidsbeleid te voeren alleen aanvaardbaar is, wanneer voldoende waarborgen bestaan voor de rechtsbescherming van onze burgers.
Door veel sterkere garanties in te bouwen in vergelijking met het oorspronkelijke wetsontwerp, door veel sterkere en veel grotere garanties in te bouwen dan in vele ons omringende landen waar die methodes toegestaan zijn, heeft de commissie voor de Justitie van de Senaat een evenwicht trachten te bereiken tussen de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden en het uitvoeren van een noodzakelijke veiligheidstaak. Men mag niet vergeten dat er zonder veiligheid geen respect is voor de fundamentele rechten en vrijheden van onze burgers. Veiligheid wordt niet verzekerd met alle middelen, maar zonder daadwerkelijke veiligheid bestaat er geen natuurlijk respect voor fundamentele rechten en vrijheden. Het komt er dus op aan om een goed evenwicht te vinden.
Ik daag iedereen uit om de door de ministers Onkelinx en Dewael ingediende teksten uit de vorige legislatuur objectief te vergelijken met de tekst waarover we vandaag debatteren en stemmen. Ten aanzien van dit voorstel kan niemand de betogen van twee jaar geleden herhalen. Er kunnen altijd verbeteringen worden aangebracht en andere inzichten ontstaan, maar we hebben een werkelijke inspanning gedaan om de controle op het gebruik van uitzonderlijke methodes zo effectief mogelijk te maken.
We zijn wel vertrokken van het oorspronkelijke wetsontwerp omdat daarover al een discussie had plaatsgevonden, omdat de Raad van State er al een advies over had uitgebracht en omdat we ook reeds kennis hadden van de opmerkingen van de balies en van de liga’s voor de mensenrechten. Aan die opmerkingen evenals aan de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens hebben we natuurlijk een groot belang gehecht. Dat heeft ertoe geleid dat we extra controlecriteria hebben uitgewerkt: wie die methodes gebruikt moet zich houden aan een strikt wettelijkheidscriterium en aan de toepassing van de beginselen van de subsidiariteit en van de proportionaliteit. Dat is wat ik noem, de natuurlijke bescherming. De wet is precies en duidelijk en ze schrijft voor dat algemene beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit moeten worden toegepast.
Op het tweede niveau zijn er daarnaast strikte procedurele waarborgen en een streng toezicht a priori en a posteriori op twee niveaus. Ze vormen het sluitstuk voor de bescherming van de rechten en de vrijheden.
De verschillende methoden worden ingedeeld in drie categorieën; de gewone, de specifieke en de uitzonderlijke methoden, en wel in verhouding tot de mogelijke inbreuk op individuele rechten en vrijheden. De bestaande methoden uit de wet van 30 november 1998, die geen bijzondere of speciale technieken vereisen, en de minste impact hebben op de bescherming van de privacy van de betrokkenen, worden – en werden ook in 1998 – ondergebracht bij de gewone, toegelaten methoden.
De bijzondere technieken of methoden die mogelijk een inbreuk op de privacy of de schending van een ander grondrecht inhouden, worden naargelang van hun ingrijpend karakter ingedeeld bij de specifieke en de uitzonderlijke methoden. Zo zijn de observatie en de doorzoeking van plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek, ondergebracht bij de specifieke methoden. Wanneer men echter een woning of een plaats die niet voor het publiek toegankelijk is, viseert, zal men zich bij de uitzonderlijke methoden bevinden. Dat is een wijziging met de voorgaande tekst, want wat vroeger bij de bijzondere specifieke methoden hoorde, is nu gedeeltelijk ondergebracht bij de uitzonderlijke methoden.
De andere uitzonderlijke methoden betreffen het oprichten van een fictieve rechtspersoon, het openen van poststukken, het verzamelen van gegevens met betrekking tot bankrekeningen en de gedane financiële verrichtingen, het binnendringen in informaticasystemen of het afluisteren en registreren van communicatie. Deze methoden raken fundamenteel aan de grondrechten en de wetgever dient bijzondere voorwaarden in het leven te roepen om deze methoden toe te passen.
De minder vergaande methoden, zoals het identificeren van een afzender van een poststuk, de houder van een brievenbus, de abonnee of de oproepgegevens verband houdende met een communicatiemiddel, werden ondergebracht bij de specifieke methoden.
Bij het aanwenden van methoden uit de verschillende categorieën zullen steeds de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit moeten worden nageleefd. Als de specifieke methode volstaat om het beoogde resultaat te bereiken, zal de inlichtingendienst de meer indringende uitzonderlijke methode niet kunnen aanwenden.
Daarenboven legt het wetsvoorstel een bijkomende inperking op van de wettelijke opdrachten waarvoor de Veiligheid van de Staat en de ADIV uitzonderlijke methoden kunnen toepassen. Het diensthoofd van de inlichtingendienst machtigt de methode en is verplicht om ze te doen stopzetten zodra hij vaststelt dat de wettelijke voorwaarden niet meer worden nageleefd.
Cruciaal in het wetsvoorstel zijn de toezichtsorganen die zullen waken over de wettelijkheid van de procedure. De BOM-wet bepaalt dat de onderzoeksrechter betrokken moet worden bij de beslissing tot het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden. Het was dus duidelijk dat we bij het gebruik van bijzondere inlichtingenmethoden door de veiligheidsdiensten ook een bijzondere vorm van toezicht dienden te organiseren en naast het herindelen van de diverse categorieën naargelang van het gevaar voor de privacy, hebben wij een bijzondere inspanning geleverd om de methoden van controle a priori en a posteriori te verstevigen.
Centraal in dit toezicht, meer bepaald de naleving van de wettelijkheidsvereiste, komt een nieuwe commissie voor het voetlicht die is samengesteld uit drie gespecialiseerde magistraten. Waar gelet op de praktische werkbaarheid bij de specifieke methoden het diensthoofd de methode machtigt en zijn beslissing overzendt aan de commissie vooraleer deze methode kan worden aangewend, geldt bij de uitzonderlijke methoden een strengere controleregeling.
Zo dient het diensthoofd voorafgaandelijk over een eensluidend advies van de commissie te beschikken vooraleer de uitzonderlijke methode zal kunnen worden aangewend. De commissie heeft de plicht na te gaan of aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan. Wanneer de commissie of, in geval van uiterste hoogdringendheid, de voorzitter van de commissie vaststelt dat een van de wettelijke criteria niet werd nageleefd, zal men geen eensluidend advies kunnen verstrekken en kan bijgevolg de inlichtingendienst de uitzonderlijke methoden niet aanwenden.
Daarnaast biedt het wetsvoorstel een bijzondere bescherming voor drie kwetsbare beroepen: de arts, de advocaat en de beroepsjournalist. Gelet op de persoonlijke gegevens waarover zij beschikken, zal men alleen in uitzonderlijke omstandigheden de voorziene methodes kunnen toepassen ten aanzien van deze beroepsgroepen.
Het beperken van de beschermde groepen is, gelet op de omstandigheden, noodzakelijk; het is een duidelijkheidscriterium. Meer en meer beroepsgroepen kunnen immers een soort van beroepsgeheim inroepen. Dat heeft onder meer te maken met de grotere controle in de financiële en de sociale sector. Het Grondwettelijk Hof heeft naar aanleiding van de BOM-wet duidelijk gemaakt dat het verantwoord is om een onderscheid te maken tussen bepaalde categorieën van personen die beschikken over het beroepsgeheim of, in geval van journalisten, over het bronnengeheim, gelet op de aard van de gegevens waarover ze beschikken. Dit onderscheid is ten andere ook noodzakelijk voor de diensten op het terrein, die duidelijk moeten kunnen afbakenen in welke gevallen ze welke methode moeten toepassen.
Een algemene verwijzing naar het begrip beroepsgeheim bevat niet voldoende duidelijkheid om het geheel in werking te stellen en is in ieder geval niet realiseerbaar op het terrein.
Door de sterk vertrouwelijke gegevens waarover artsen, advocaten of journalisten beschikken, vereisen deze beroepsgroepen een bijzondere bescherming, die gerealiseerd wordt door het wettelijk beperken van de specifieke of uitzonderlijke methoden tot de gevallen waarbij de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief zijn medewerking verleent aan het ontstaan of de ontwikkeling van de potentiële bedreiging. Bovendien is er een actieve rol weggelegd voor de voorzitter van de commissie en wordt vóór de aanwending van de methode de voorzitter van de orde waartoe de arts of de advocaat behoort of, in voorkomend geval, de voorzitter van de vereniging van beroepsjournalisten op de hoogte gebracht.
Bovendien is de commissie verplicht de bijzondere methode te schorsen, voor zover het diensthoofd de methode niet stopzet, van het ogenblik af dat niet aan alle wettelijke voorwaarden wordt voldaan. De commissie zendt daarenboven zijn beslissingen door naar het Vast Comité I, dat als ultiem controleorgaan over alle bevoegdheden beschikt om de aanwending van de methoden te onderzoeken en in voorkomend geval ook de stopzetting ervan te bevelen.
Het Vast Comité I vervangt in deze het college uit het oorspronkelijke wetsontwerp. Dat is een belangrijke wijziging. Aangezien het Vast Comité op permanente basis instaat voor de controle van de veiligheidsdiensten en ook verslag uitbrengt bij het Parlement, is dit een bijkomende waarborg voor de democratische controle op de werking van de veiligheidsdiensten.
Het Vast Comité I en de Parlementaire Begeleidingscommissie vervullen een even cruciale rol in het toezicht op de uitoefening van de specifieke en uitzonderlijke methodes door de inlichtingendiensten. Met de vervanging van het college door het Vast Comité I wilden de initiatiefnemers van dit voorstel tegemoet komen aan de kritische opmerkingen uit de rechtsleer en de hoorzittingen tijdens de vorige legislatuur. De oprichting van een college ad hoc schakelde namelijk de parlementaire controle via het Vast Comité I nagenoeg helemaal uit, wat op verzet heeft gestuit. Die benadering was bovendien in strijd met de aanbevelingen van het Comité van ministers van de Raad van Europa om de inlichtingendiensten te laten opereren onder het rechtstreeks gezag van het nationaal parlement, zodat het wetgevend kan optreden.
Op het vlak van het toezicht door het Vast Comité I houdt het wetsvoorstel een heel belangrijke vooruitgang in. Terwijl vroeger de inlichtingendienst omwille van een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek systematisch weigerde de nodige informatie aan het Vast Comité I te verstrekken, worden de leden van de inlichtingendiensten voortaan verplicht de geheimen waarvan ze kennis hebben, mee te delen, zodat het Vast Comité I werkelijk controle kan uitoefenen. In voorkomend geval verloopt deze gegevensoverdracht in overleg met de bevoegde magistraat. Dat is een fundamentele verandering, aangezien we uit een cultuur komen waarin het bestaan van een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek volstond om elke mededeling aan het Comité I en aan de Parlementaire Begeleidingscommissie te blokkeren. Dat was een gemakkelijk voorwendsel om geen informatie te moeten geven. Ik dank de regering, in het bijzonder de minister van Justitie, die bereid was een amendement ad hoc te aanvaarden.
Dankzij dat amendement kunnen we de overstap naar een nieuwe cultuur maken. Het parket zal niet langer het volledige dossier-Belliraj aan het parlement moeten voorleggen, maar we zullen wel kunnen weten wat de inlichtingendiensten in dat dossier hebben gedaan. De inlichtingendiensten moeten in overleg met het parket of het federaal parket nagaan hoe ze hun operationele geheim kunnen bewaren. Dat mag er echter niet toe leiden dat de inlichtendiensten ons in alle delicate dossiers meedelen dat we binnen tien of vijftien jaar de waarheid te horen zullen krijgen.
(...)
Vanzelfsprekend. De wet heeft tot doel dat een effectieve parlementaire controle via het Comité I mogelijk moet zijn. Het is zeer belangrijk dat dit beginsel nu in de wet wordt ingeschreven. Het zou goed zijn dat de Veiligheid van de Staat, het College van procureurs-generaal en het parlement in een protocol vastleggen hoe over dergelijke dossiers bepaalde afspraken kunnen worden gemaakt. Dergelijke afspraken kunnen niet in de wet worden vastgelegd.
Er is een belangrijke opening gemaakt. Het is immers belangrijk. Wij zeggen dat voor de meest verregaande methodes er een bijzondere waarborg van de controle door het Comité I moet zijn. Als op dat niveau echter geen volledige doorstroming van informatie mogelijk is omdat er een gerechtelijk onderzoek loopt en als achteraf geen controle op parlementair niveau mogelijk is, dan gaat het om een theoretische controle die onvoldoende is en geen waarborgen voor onze burgers biedt. Dat is geen motie van wantrouwen of een intentieproces, maar in het recht bestaan enkel en alleen procedurele waarborgen. De norm is de eerste waarborg; op het terrein zijn de operationele, procedurele waarborgen het belangrijkst.
Alhoewel de inlichtingendiensten een andere doelstelling hebben dan de politiediensten of het gerecht, komt er toch een brug tussen beide. Voortaan bepaalt de wet hoe informatie over gepleegde, maar nog niet aan het licht gebrachte of te plegen misdrijven aan het federaal parket kan worden overgedragen. Ook hier speelt de commissie een opmerkelijke rol, als filter voor het doorgeven van informatie. De bewijswaarde in een eventueel volgend strafproces wordt beperkt in die zin dat het proces-verbaal van de commissie niet de exclusieve grond, noch de overheersende maatregel kan zijn voor de strafrechtelijke veroordeling van een persoon. Vergelijkbaar met de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling op de aanwending van de BOM-methoden, wordt nu het Vast Comité I belast met een wettelijkheidscontrole van de gegevens die via een specifieke of een uitzonderlijke methode werden verkregen.
Deze overwegingen tonen aan dat het goed is over bepaalde aangelegenheden jaren na te denken en te debatteren, maar op zeker ogenblik moet de discussie toch leiden tot een eerbaar vergelijk. In de vorige legislatuur was zo’n vergelijk niet mogelijk bij gebrek aan een parlementaire meerderheid. Thans hebben de leden van de diverse fracties er eerlijk en oprecht voor gezorgd dat de toepassing van bijzondere inlichtingenmethodes beantwoordt aan alle strikte vereisten van een rechtsstaat.
Natuurlijk is het beter dat deze methodes nooit moeten worden toegepast, maar gelet op de geografische situering van ons land, met Brussel als vestingsplaats van talrijke internationale instellingen, de luchthaven van Zaventem en onze diverse havens, is het duidelijk dat onze veiligheidsdiensten over voldoende middelen moeten beschikken om potentieel terrorisme en criminele organisaties te bestrijden.
Dit document is geen eindpunt, want het moet nog worden voorgelegd aan de Kamer. De goedkeuring van het wetsvoorstel door de Senaat is echter een grote stap vooruit en stelt tegen het einde van het jaar een betere democratische bescherming van alle opzichten van onze fundamentele rechten en vrijheden in het vooruitzicht.
Terug naar het overzicht van dit plenair debat


