Karin Brouwers
Sabine de Bethune
Cindy Franssen
Brigitte Grouwels
Joris Poschet
Steven Vanackere
Peter Van Rompuy
Johan Verstreken
Persbericht
Toespraak
Tussenkomst bij het informatieverslag inzake de gezamenlijke aanpak van de strijd tegen kinderarmoede in ons land
(26-02-2016)

Ik zal het werk van Cindy Franssen becommentariëren. Zij heeft als rapporteur de gezondheidsproblematiek het meest willen belichten. Dit is het laatste stuk van het verslaggedeelte. De vorige rapporteurs hebben al duidelijk kunnen aangeven hoezeer armoede een veelkoppig monster is.

Niemand betwijfelt dat in het hoofdstuk ‘gezondheid’ de kloof tussen wie veel heeft en wie weinig heeft schrijnend aan bod komt. Ik schat dat u allen hoogopgeleide mensen bent en dat betekent dat uw levensverwachting tien jaar langer is dan die van mensen met een laag inkomen. Daarenboven is het zo dat zeventien gezonde jaren ons deel zijn, terwijl mensen in slechtere sociaaleconomische omstandigheden zeventien jaar in minder goede gezondheid door het leven gaan. Met haar werk heeft Cindy Franssen er vooral op toegezien het gezondheidsluik zoveel mogelijk te belichten.

Artikel 24 van het VN‑Kinderrechtenverdrag benadrukt dat het recht op gezondheid een fundamenteel recht is. Het bevat twee aspecten: de gezondheidszorg en de achterliggende sociale en economische determinanten van de gezondheid.

Uit onderzoek blijkt dat er een gezondheidskloof is en dat er een rechtstreeks verband is tussen de sociaaleconomische standaard, de gezondheid en de levensverwachting. Uit zeer recent onderzoek van de Christelijke Mutualiteit, die de gezondheidskloof als een serieuze bedreiging voor onze solidaire gezondheidszorg beschouwt, blijkt dat er duidelijke verschillen zijn in gezondheid naargelang van de positie die men bekleedt op de sociale ladder.

Uit de hoorzittingen en de vaststellingen die we op basis van wetenschappelijke rapporten hebben kunnen doen, blijkt onomstotelijk dat kinderen in armoede een veel groter risico lopen op een aantal negatieve gezondheidsaspecten. Ik geef twee voorbeelden. Een kind uit de laagste sociale klasse heeft 29% meer kans opgenomen te worden in een dienst pediatrie of neonatologie. Jongeren uit de laagste sociale klasse hebben 34% minder kans om gebruik te maken van preventieve tandzorg.

Als we dat naast een andere onthutsende vaststelling plaatsen, namelijk dat zuigflescariës voorkomt bij meer dan één op drie kinderen uit de laagste sociale klassen, terwijl dat in normale omstandigheden één op tien is, zien we de grote paradox: een grotere blootstelling aan risico’s en een minder sterk beroep doen op preventieve gezondheidszorg.

Bovendien bemoeilijken financiële en andere drempels de toegang tot gezondheidszorg. Kinderen uit lagere sociale klassen hebben meer kans op ongezond gedrag: ze bewegen minder, eten ongezonder, hebben meer ongezonde slaapgewoonten, kijken meer televisie en lopen een hoger risico op een lager mentaal welbevinden.

De sociale ongelijkheid manifesteert zich doorheen de levensjaren. Voor en bij de geboorte liggen perinatale gezondheids- en mortaliteitsrisico’s hoger wanneer een kind geboren wordt in een gezin met een lage sociaal economische status. Zo hebben ze vaak een lager geboortegewicht, wat meteen ook een lagere levensverwachting betekent, en een hogere kindersterfte.

Die sociale ongelijkheden verdwijnen ook niet wanneer kinderen opgroeien. Ik had het al over zuigflescariës. Kinderen van een moeder met een lage opleiding hebben een groter risico op een te hoog BMI. In het buitengewoon secundair onderwijs heeft slechts 8% van de jongens een gezonde eetgewoonte. Dat zijn schokkende cijfers.

Ook het sociale en mentale welzijn wordt gevat door armoede. Stress, angst, afhankelijkheid en het gevoel ongelukkig te zijn nemen toe naarmate kinderen langer in armoede leven. Gedragsproblemen komen vaker voor bij kinderen uit gezinnen met een laag inkomen.

De problemen tijdens de kinderjaren dragen vaak bij tot een slechte gezondheid op volwassen leeftijd. Dat heeft onder meer als gevolg dat de levensverwachting (op de leeftijd van 50 jaar) het laagst ligt bij mannen met enkel een opleiding lager onderwijs of minder (nog 24,7 jaar) en het hoogst bij mannen met een opleiding hoger onderwijs (nog 34,3 jaar). Dat is dus een verschil van tien jaar bij mannen. Voor vrouwen geven de cijfers een gelijkaardig beeld.

Ook de subjectieve gezondheid varieert in functie van het opleidingsniveau.

Collega Franssen benadrukt ook het belang van de bijdrage van professor De Maeseneer, die tijdens de hoorzittingen aangaf dat er ook een hogere blootstelling aan gezondheidsrisico’s in de tewerkstelling is. De meest risicovolle jobs worden gedaan door lager opgeleiden.

Uit de Gezondheidsenquête 2013 blijkt dat financiële en andere drempels nog steeds de toegang tot de gezondheidszorg voor kwetsbare groepen belemmeren. Van de huishoudens geeft 26% aan dat de bijdragen voor gezondheidszorgen zeer moeilijk passen binnen het beschikbare huishoudbudget. Bij de laagst verdienende huishoudens stelt niet minder dan 53% dat de uitgaven van gezondheidszorgen moeilijk om dragen zijn.

Toen ik daarnet een toelichting gaf aan de media, gaf ik aan dat apothekers kunnen vertellen wat er gebeurt. Zodra mensen hun uitkering hebben gekregen op het einde van de maand, merken ze een toename van aankoop van de medicijnen die allicht eerder al noodzakelijk waren maar waarvan de aankoop wordt uitgesteld tot de middelen ter beschikking zijn. Dit soort vaststellingen moet ons zorgen baren.

De ontwikkeling van kinderen wordt ook sterk gestuurd door omgevingsfactoren: verkeersdrukte, vandalisme, geen toegang tot parken of andere groene of recreatieve domeinen, luchtverontreinigingen, trillingen, lawaai, slechte geuren. Dat is vooral een stedelijk probleem op de plekken waar een hoge concentratie is van gezinnen met lagere sociaaleconomische status.

Er is een wetenschappelijk en duidelijk verband tussen verkeer gerelateerde luchtverontreiniging, zoals ultrafijn stof, en negatieve gezondheidsaspecten. Ook daar zijn de gezinnen in armoede de eerste die het risico dragen. Tot slot verdwijnen ongelijkheden in de gezondheid door de aanwezigheid van een hoge graad van sociaal kapitaal in de buurt, wat men jammer genoeg vaak ontbeert als men in armoede leeft.

Ik overloop de aanbevelingen waarop mevrouw Franssen het meest de nadruk wil op leggen.

Zij focust vooral op het prioritair inzetten gedurende de eerste levensjaren. De cijfers van daarnet tonen de logica daarvan voldoende aan. Ze wil aandacht voor het maximaal inzetten op gezondheidsvaardigheden. Denk maar aan die 8% jongens in het bijzonder onderwijs die nog een goede gezonde eetgewoonte hebben. Dat 92% een ongezonde eetgewoonte heeft, toont duidelijk aan dat gezondheidsvaardigheden een belangrijke sleutel vormen tot emancipatie en persoonlijke verantwoordelijkheid. Men kan de verantwoordelijkheid niet afschuiven als bepaalde stappen niet zijn gedaan op het vlak van begeleiding.

Een ander belangrijke aanbeveling betreft het verdiepen van de rechten, meer bepaald het uitbreiden van de maximumfactuur voor zorg die betrekking heeft op de geestelijke gezondheidszorg vanuit de filosofie van Health in All Policies (HiAP) en een progressief universalisme.

Alle kinderen hebben recht op gezondheidszorg. Dit betekent het onverkort respecteren van artikel 24 van het Kinderrechtenverdrag. De gezondheidsongelijkheden moeten op een participatieve manier worden teruggedrongen bij het uittekenen van de concrete uitvoering van het beleid. Het moet gebeuren samen met de ervaringsdeskundigen, met een patiëntenparticipatie en in goed overleg met de middenveldorganisaties, waarbij het principe van Health in All Policies telkens vooraan moet staan.

Gezondheidsongelijkheid is immers het gevolg van meerdere factoren. Het heeft niet alleen te maken met het gezondheidszorgsysteem, maar ook met onder meer inkomen, mobiliteit, huisvesting, tewerkstelling, milieu en ruimtelijke ordening. Dit veronderstelt samenwerking op een gecoördineerde manier, ook met het lokale beleidsniveau, de lokale netwerken en organisaties zoals de wijkcentra en de wijkgezondheidscentra.

Ongelijkheden in de gezondheidszorg kunnen enkel worden weggewerkt als de oorzaken ervan, de sociale stratificatie, wordt aangepakt. Daarbij moet men uitdrukkelijk kiezen voor een progressief universalisme in de gezondheidszorg. Dat wil zeggen een universele dienstverlening voor iedereen, om het maatschappelijk draagvlak te versterken, en tegelijkertijd extra inspanningen leveren voor de meest kwetsbare groepen. Elk kind heeft recht op een goede start in het leven, op gezonde leefomstandigheden en een optimale opvoeding die hen ook naar een goede leefomgeving en een gezonde levensstijl leidt. Hoe jonger men daarmee begint, hoe groter de gezondheidswinst. Er is ook verhoogde inzet nodig van middelen van preventie en vroeg detectie, dat wil zeggen, prioritair gericht op de eerste levensjaren en met het accent op het verbeteren van de gezondheidsvaardigheden. Men moet de gezinnen ondersteunen, preconceptioneel, pre- en postnataal en bij transitiemomenten, met uiteraard prioriteit voor kwetsbare doelgroepen. Men moet outreachend werken en durven inzetten op aanklampende zorg. Ik weet niet of dat zomaar te vertalen valt in het Frans, maar de aanklampende zorg is toch een belangrijk concept. Vanuit een eerdere politieke ervaring, wil ik benadrukken dat men soms, met alle eerbied voor de levenssfeer en de soevereiniteit van elke burger, op tijd moet durven zeggen: hier is er een opdracht om aan te klampen en er niet voetstoots vanuit te gaan dat iedereen, vanuit zijn eigen autonomie, in staat moet zijn om hulp af te wijzen. Men moet ook op zeker ogenblik, en dat vergt subtiele keuzes, durven aanklampend te zijn in situaties waar dat nodig is. Het kan niet voldoende worden benadrukt hoe belangrijk het is om mensen niet zomaar in de steek te laten.

Als een kind ziek is moet de regeling inzake themaverloven financieel haalbaar en toegankelijk zijn voor kansarme eenoudergezinnen. Men moet gezonde voeding bevorderen, in het bijzonder op school. Dat moet gebeuren vanuit een ketenaanpak en een integrale aanpak.

Men moet de sensibiliserende en sanctionerende maatregelen inzake het leefmilieu en de leefomgeving verhogen. Er moet meer aandacht gaan naar tandzorg en het preventief opsporen en behandelen van gezicht- en gehoorstoornissen. Dat vergt natuurlijk een actieve toeleiding door de CLB‑teams naar een multidisciplinaire aanpak van gezondheidsproblemen van kwetsbare kinderen en een aangepaste gezondheidspromotie, onder meer door het gratis aanbieden van tandverzorging.

Het is belangrijk een toegankelijke, kwaliteitsvolle gezondheidszorg te organiseren door te blijven investeren in stevige fundamenten van de wettelijke ziekteverzekering, het versterken van de maximumfactuur en de onkosten verbonden aan de geestelijke gezondheidszorg daarin opnemen, hogere tussenkomsten voor gespecialiseerde zorg zoals logopedie, tandverzorging en kinesitherapie voor kinderen van ouders die recht hebben op verhoogde tegemoetkoming. Men moet versneld werk maken van de automatische toekenning van rechten en de impact van de wijkgezondheidscentra dient te worden geëvalueerd: uitbreiding en optimalisatie kan hier worden overwogen.

Een goed uitgebouwde eerstelijnsgezondheidszorg is een voorwaarde om de gezondheidskloof te dichten, zeker ook in achtergestelde buurten. Dit impliceert eveneens een sterke verbinding tussen gezondheid en welzijn. Dit kan door structurele samenwerkingsverbanden op te richten tussen curatieve en preventieve zorg, gezondheidsopvoeding en samenlevingsopbouw.

Het lokale niveau heeft hier een belangrijke rol in te spelen door in te zetten op community‑oriented primary care.

De zorg- en hulpverleners dienen hiervoor een grondige kennis te hebben van de leefwereld van mensen in armoede enerzijds en van het zorg- en hulpverleningslandschap anderzijds.

De geestelijke gezondheidszorg moet veel meer buiten haar muren treden. We pleiten voor de uitbouw van een toegankelijke eerste lijn in de gezondheidszorg, de betrokkenheid van een eerstelijnspsycholoog in een multidisciplinaire setting.

Meten is weten. Ook het globaal medisch dossier kan hiervoor een geschikte tool zijn voor het gezondheidszorggebruik.

Dat zou het besluit zijn van Cindy Franssen, als zij hier aanwezig was geweest. Ik weet dat de volledige plenaire vergadering zich er bij zal aansluiten als ik Cindy Franssen het beste wens voor wat er volgende week op stapel staat en ik dank u voor de aandacht die u aan haar woorden hebt willen besteden. (Applaus)


Terug naar het overzicht
SCHRIJF IN OP ONZE
E-BRIEF!