Karin Brouwers
Sabine de Bethune
Cindy Franssen
Brigitte Grouwels
Joris Poschet
Steven Vanackere
Peter Van Rompuy
Johan Verstreken
Persbericht
Tussenkomst van Steven Vanackere in het debat in de plenaire vergadering in aanwezigheid van de Eerste minister.
(19-01-2015)

Ik waardeer het dat de eerste minister bereid was hier vandaag aanwezig te zijn. Het is ook niet meer dan normaal dat hij zijn uiteenzetting begon met de maatregelen die de regering zal nemen ten aanzien van de dreiging van het terrorisme. Ik sluit me namens de CD&V‑fractie aan bij de lofbetuigingen van de vorige sprekers aan het adres van al diegenen die over onze veiligheid waken.

Op een dag als vandaag overheerst bij iedereen een surrealistisch gevoel. We hadden de eerste minister kunnen laten weten dat hij niet naar de Senaat hoefde te komen omdat hij andere katten te geselen had. Toch wil ik bewijzen dat een instelling als de Senaat wel degelijk een rol kan spelen op een domein dat vandaag zovele landgenoten bekommert.

De Senaat is meer dan ooit een assemblee die wordt geacht in staat te zijn wat afstand te nemen. Reflectie kan niet zonder een minimum aan afstand. De eerste minister zei dat de Senaat zoveel zal betekenen als de senatoren ervan willen maken.

Wij willen geen dubbele debatten voeren of in uitgesteld relais op een nagel kloppen, maar dat betekent natuurlijk niet dat we niet aan politiek willen doen. Dat houdt wel in dat we dat op een andere wijze zullen doen.

De Senaat is een ontmoetingsplaats van de actoren van het federalisme, aldus de eerste minister in zijn toespraak. We zullen de Senaat als dusdanig gebruiken, maar combineren die ontmoetingsplaats met de ambitie van bewakers, inspirators, motivators en zelfs souffleurs van het samenwerkingsfederalisme.

Ontmoeten volstaat voor ons niet, want we willen ervoor zorgen dat alle actoren van ons ingewikkelde land goed weten wat hen te doen staat. We hebben het institutioneel model geboetseerd volgens onze veelzijdige, meertalige, ingewikkelde maatschappelijke realiteit. Dat is goed. Alleen moeten alle actoren van dit ingewikkeld institutioneel netwerk af en toe worden herinnerd aan hun opdracht. Verwachten de inwoners van ons land dat de parlementen met elkaar in conflict treden of elkaar beconcurreren? Verwachten ze dat die parlementen elkaar de zwarte piet doorschuiven? Of verwachten de burgers oplossingen?

Te vaak wordt Belgische politiek verward met de vaardigheid iemand anders de schuld te geven. Daaraan moet in de Senaat een halt worden toegeroepen. Hier moeten we meer dan ooit op een positieve manier tonen hoe er kan worden samengewerkt.

De transactiekost van ons relatief ingewikkeld institutioneel model heeft een reden, maar moet tot een minimum worden beperkt. Mevrouw Meuleman en heel wat andere leden merkten op dat de burger van ons verwacht dat wij tonen dat er effectief kan worden samengewerkt, ook over de partijgrenzen heen.

Ik herhaal dus dat onze rol er niet in bestaat debatten te herhalen over onderwerpen die in andere assemblees moeten worden behandeld. In de Kamer moet de regering het vertrouwen zoeken, niet hier in de Senaat. In de parlementen van de deelstaten moeten de minister-presidenten en hun regering het vertrouwen van hun parlement winnen, niet hier in de Senaat.

Onze rol bestaat erin om op een dag als vandaag, waarop de premier sprak over antiterrorismemaatregelen, de bestaande federale en interfederale structuren voor overleg en samenwerking heel hoog op de politieke prioriteitenlijst te plaatsen.

Mijn volgende opmerking heeft helemaal niet tot doel iemand in verlegenheid te brengen. Sinds het aantreden van de regering heeft het Overlegcomité nog niet vergaderd. Dat betekent dat de hele resem interministeriële conferenties, die opnieuw moeten worden samengesteld, officieel nog niet van start kunnen gaan. Dat kan de Interministeriële Conferentie inzake Veiligheids- en handhavingsbeleid dus ook niet.

Ik zoek helemaal geen spijkers op laag water. Ik ben me er terdege van bewust dat als een dossier dringend is samenwerking op politiek vlak altijd mogelijk is. Ik maak van deze gelegenheid dan ook gebruik om de premier te feliciteren voor zijn overleg met de minister-presidenten, zowel voor maar eveneens zonder camera. Ik beweer dan ook niet dat er onvoldoende overleg is. De premier zal evenwel moeten erkennen dat in ons ingewikkeld land de ministers elkaar in de ogen moeten kunnen kijken, onder meer in het Overlegcomité of de Interministeriële Conferenties, om te zien of ze hun beleid op elkaar kunnen afstemmen.

Mag ik vragen daarvan een stevige prioriteit te maken? Niet omdat ik denk dat er een zucht van verlichting door het land zal gaan op het ogenblik dat men weet dat ook de interministeriële conferenties aan de slag zijn. Maar laten we toch de bescheiden, maar sterke ambitie koesteren om de bewaker te zijn van de olie die de raderen doet draaien en daarvoor wel degelijk respect afdwingen.

Ik ben de premier bijzonder dankbaar dat hij ook uitvoerig over Europa heeft gesproken. Even aarzelde ik daarbij en had ik dezelfde reactie als Bert Anciaux. Een paar maanden geleden is echter in een academisch werk aangetoond dat de “europeanisering”, de grotere integratie in verschillende landen leidt tot een “Prime Ministerialisation” van het beleid. De premier moet als woordvoerder op de Europese fora enorm veel naar zich toe trekken, want zo werkt het nu eenmaal. Op een bepaald ogenblik moet er gesproken worden en de premier is heel vaak degene die dat namens ons doet. Dan is het goed dat hij ook hier in de Senaat over Europa komt spreken, want het biedt ons senatoren, van wie de meeste uit deelstaatparlementen komen, de kans om de gevoeligheden en prioriteiten van de deelstaten aan het Europese niveau door te spelen.

Ik geloof wel degelijk dat de Senaat een rol te spelen heeft. De premier zei: “De Senaat zal zijn wat de senatoren ervan maken.” Dat zal veel te maken hebben met wat wij zullen doen en paradoxaal genoeg ook met wat we niet zullen doen, namelijk ons gedragen alsof we in een ander parlement zaten.


Terug naar het overzicht
SCHRIJF IN OP ONZE
E-BRIEF!